Filosofische problemen
Zoals u al bij enkele van mijn collega-bloggers van filosofie.be kunt lezen, behandelen we onze 'favoriete filosofische problemen'. Maar wat is dat juist, een filosofisch probleem? De vraag peilt naar de kern van de filosofie zelf, zowat het enige vakgebied waar vakbroeders het nog niet eens zijn over de afbakening van het domein zelf. Sommigen vinden het al voldoende om de geschiedenis van de filosofie te bestuderen, anderen vinden dan weer dat filosofie zich vooral met wetenschap moet bezighouden. (Hoewel ik vermoed dat dit al een karikatuur is.) Voor de één staat filosofie los van onze empirische kennis, voor de ander kan filosofie niets anders zijn dan deze kennis. (Het idealisme versus het materialisme, zeg maar.) Bij elk antwoord duiken echter weer nieuwe problemen op, zodat we ons de vraag kunnen stellen wat nu juist de centrale vraag is waar alle filosofische problemen omheen cirkelen. Persoonlijk denk ik dat de tegenstelling die ontstaan is tussen Plato en Aristoteles nog steeds goed uitdrukt waar nu juist de grote filosofische vraag te zoeken valt. Plato's Ideeënwereld drukt op unieke wijze een fundamenteel wantrouwen tegenover de werkelijkheid uit: wat we zien, is slechts een reflectie van de waarheid. Zintuiglijke waarneming is dus hoogst onbetrouwbaar, en het enige wat we eraan overhouden is een mening. Het bestuderen van de werkelijkheid is niets anders dan het bestuderen van de schaduwen op de rotswand. Nogal dom dus. (Waaruit het neoplatonisme later het 'Ene' zou weten te puren, waarvan alles dan een emanatie is.) De waarheid moet dus op een andere manier gevonden worden, met name via de filosofie. Klein probleempje hierbij: sinds Plato is niemand erin geslaagd om duidelijk te maken hoe men zonder te steunen op die empirische kennis inzicht in de Ideeënwereld zou moeten krijgen. Reeds bij Plato is de filosoof reeds een bijzondere persoon, die beschikt over een inzicht dat anderen ontberen. Dit is in de loop der eeuwen ook het belangrijkste argument gebleven: Augustinus had zogenaamd kennis van de 'civitate dei' die niemand anders kon inzien, Hegel kende dan blijkbaar weer als geen ander de werking van de 'Geist'. In de romantiek werd het zelfs de kunstenaar die blijk gaf van een speciaal inzicht in het wezen van de natuur. Maar wat kunnen we nu eigenlijk aanvangen met al die zelfverklaarde visionairen? Aan de andere kant kennen we de traditie sinds Aristoteles, die wél waardering had voor onze zintuigelijke kennis. Abstracte begrippen, die voor Plato enkel in de Ideeënwereld te vinden zijn, worden volgens hem in het verstand gevormd op basis van onze waarnemingen. Via een analytische methode kunnen we dan komen tot een begrip van de waarheid. Het mag dan ook geen toeval heten dat de navolgers van Aristoteles zich vooral op de natuurwetenschappen concentreerden. Kwatongen durven dan ook wel eens beweren dat dit de enige juiste methode is. Nochtans, het is niet omdat deze puike methode haar vruchten aflevert als het erom gaat de werkelijkheid zoals ze aan ons verschijnt te kennen, dat ze ook iets te zeggen heeft over de oorsprong van deze werkelijkheid. Maar... zei ik daarnet niet dat dit probleem ook nog steeds niet opgelost is vanuit de andere traditie? Moeten we dan niet concluderen dat het idealisme eigenlijk nog niets bewezen heeft, en het materialisme wél al lang bewezen heeft dat haar methode werkt, ook al heeft ze de oorspronkelijke filosofische vraag eigenlijk handig ontweken? (Waarbij die oorspronkelijke vraag dus luidt: waar komt dit alles om ons heen toch vandaan?!) Het was wachten op Immanuel Kants poging om de twee met elkaar te verzoenen: aan de ene kant hebben we de fenomenale wereld, en die kunnen we perfect bestuderen via de wetenschap. Kant maakte hiermee ruimte voor de Aristoteliaanse traditie, maar nog belangrijker, hij wist deze te verzoenen met Plato's Ideeënwereld: het is niet omdat we de werkelijkheid grondig kunnen bestuderen, dat we hiermee alles verklaard hebben. Dus hebben we aan de andere kant nog steeds de noumenale wereld, dat wat we niet kunnen kennen, het ding- an-sich. Immers, de wereld is niet alleen opgebouwd uit objecten, maar ook uit subjecten, en laten het nu net die subjecten zijn die deze wereld bepalen. Er bestaat niet zoiets als 'de boom', maar alleen 'de waargenomen boom'. En op wonderbaarlijke wijze vindt dit ook zijn beslag in modernere wetenschappen zoals de quantummechanica: als we een deeltje waarnemen, beïnvloeden we het resultaat. Volgens sommigen kunnen we zelfs niet zeker zijn over het bestaan _van een deeltje vooraleer we het waarnemen. (Maar laat ik er ook maar bij vermelden dat dit volgens anderen compleet onzinnig is.) Voor mij is dit de filosofische vraag bij uitstek: wat is de werkelijkheid? Is het iets wat op- zich bestaat, en we vervolgens helemaal kunnen doorgronden? Of is er iets wat deze werkelijkheid te boven gaat, wat wij, eeuwig-subject zijnde, nooit kunnen doorgronden? Immers, wie er vanuit gaat dat alles is wat het is, en bijgevolg volkomen kenbaar is, huldigt eigenlijk het standpunt dat filosofie overbodig geworden is. Met behulp van de wetenschap kunnen we dan proberen alle kennis te bekomen die er te vinden valt. Er is immers niets wat dit te boven gaat. Hierbij moet men dan wel voorbij gaan aan de positie van het subject, dat de werkelijkheid bij wijze van spreken zelf schept. Ondanks de vele voordelen van de wetenschappelijke methode, zou ik dus niet durven stellen dat deze een materialistische opvatting bevestigt. Het is niet omdat we de waargenomen werkelijkheid kunnen kennen, dat we deze ook in z'n geheel verklaren. En wellicht is dit ook niet mogelijk via een andere methode, ook al duikt er af en toe iemand op die zweert dat hij _het licht gezien heeft. Bijgevolg zitten we met een onoplosbaar probleem. En het is net dit onoplosbare dat er voor zorgt dat mensen toch pogingen blijven doen om dit op te helderen. Of oproepen om erover te zwijgen. Is de mens nu wel of niet een metafysisch dier, dat er voortdurend naar hunkert om zijn bestaan te begrijpen? De één wellicht iets meer dan de ander, dat wel... De vraag blijft dus eerder hoe we omgaan met deze onverklaarbaarheid van het bestaan. Wie ervoor kiest om deze vraag totaal te negeren, bedrijft geen filosofie meer, maar wetenschap. Dit wil echter niet zeggen dat filosofie de wetenschap moet negeren. Filosofie probeert net met behulp van deze discipline ervoor te zorgen dat haar pogingen om het bestaan te vatten niet indruisen tegen het meest evidente dat voor ons ligt: de wereld die we waarnemen. Het bestaan zelf is dus problematisch, en het is dat waar de filosofie een antwoord probeert op te formuleren. Een antwoord dat wellicht onmogelijk is: want hoe zouden we de essentie van iets kunnen beschrijven, als het wezen van de dingen net is dat alles aan verandering onderhevig is? En dat we bovendien zelf deze verandering veroorzaken alleen maar omdat we er zijn. Een objectief uitgangspunt is bij deze onmogelijk, en het enige wat ons rest is trachten een begrip te krijgen van dit spel der metamorfoses, waarbij we lijken op een kat die haar eigen staart achterna loopt. Verschillende 'grote filosofische problemen' vloeien hieruit voort: - Hoe kunnen we het bewustzijn doorgronden, als blijkt dat dit bewustzijn niet geschikt is om zichzelf te doorgronden? (Laat staan het onbewuste!) - Hoe kunnen we spreken over vrijheid, als we er niet het flauwste benul van hebben waar we die vrijheid zouden moeten zoeken? - Hoe kunnen we een oordeel uitspreken over wat 'het goede leven' is, als blijkt dat we niet eens weten wat 'het leven' inhoudt? Er bestaan geen objectieve maatstaven om de dingen aan af te wegen, dus scheppen we die normen zelf. En is ook dat niet altijd filosofie geweest: dat enkele 'figuren' zélf de waardeschalen bepaalden? Wat lange tijd ondenkbaar was, werd ineens tot maatstaf van de samenleving verheven. In dat geval heeft filosofie nooit zomaar de werkelijkheid beschreven, maar haar altijd gecreëerd. (Wat Marx' uitlating over filosofen die slechts de wereld beschrijven, terwijl we haar moeten veranderen, als compleet onzinnig doet verschijnen.) We zitten dus opgescheept met subjecten die, alleen maar omdat ze er zijn, hun invloed uitoefenen op de 'objectieve' wereld, en daarnaast maken deze subjecten ook nog eens gebruik van zoiets vreemds als taal, wat op zich ook al niet zomaar een beschrijving is, maar de realiteit echt tot realiteit maakt. Blijkbaar is het grootste filosofische probleem dus de filosofie zelf: als uitdrukking van het wereldgebeuren, is zij er tegelijk de schepper van. Telkens ze zichzelf probeert te doorgronden, verandert ze van gedaante. (Dan blijft nog deze vraag over: als dat allemaal waar is, hoe kan ik dit dan poneren?)




Reacties (3)
Het zijn allemaal erg brede vragen... met allemaal erg gevarieerde antwoorden in de filosofie van deze tijd. Dat je geen van deze antwoorden aankaart, wil dat dan zeggen dat er volgens jou geen enkel zinnig antwoord is gegeven door ook maar iemand?
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:21
Integendeel, ik denk dat er zeer zinnige antwoorden bedacht zijn. Maar ik wou me eerder concentreren op 'de vraag' dan op 'het antwoord' - hoewel mijn mening af en toe wel sterk doorschemert, dacht ik. Misschien ben ik ook wel wat beïnvloedt door Heidegger: ik las een tijdje terug Safranski's biografie over Heidegger, en heb daarna Heideggers boekje 'de grondvraag van de metafysica' gelezen, waarin toch sterk de nadruk gelegd wordt op de vraag zélf, met name 'waarom is er iets en niet niets'. Ik apprecieer wel Heideggers poging om die vraag zelf 'bewust' te maken: je kunt ze uitspreken, maar daarom snap je ze nog niet, ben je er nog niet van doordrongen. Maar omdat ik toch iets te weinig van Heidegger ken, heb ik me eigenlijk voorgenomen daar nog niet teveel over te zeggen. Ik kan alleen maar zeggen dat ik 'het oproepen van de vraag' op dit moment wel intrigerend vind, en dat heb ik in deze post ook een beetje willen aantonen: dat filosofie begint bij deze vraag. Wat moeten we uiteindelijk met de werkelijkheid aanvangen?
Dat ik niet meteen op enkele antwoorden ben ingegaan, heeft mede hiermee te maken, anderzijds ook met de algehele twijfel die een mens overvalt als hij zo'n antwoord begint uiteen te zetten. Als ik Schopenhauer lees, bewonder ik diens manier van argumenteren, en raak ik er zowaar van overtuigd dat er zo'n ding-an-sich moet bestaan... lees ik Nietzsche, dan kan ik daar alleen maar weer aan twijfelen... Neem nu kunst (iets wat ik hier oorspronkelijk ook wou bespreken, maar ik heb er voorlopig van afgezien): aan de ene kant word ik ervan overtuigd dat zij 'een waarheid' weet uit te drukken (Schopenhauer), aan de andere kant slaat Nietzsche die zekerheid in stukken, en is kunst weer niets meer dan een fictie die de menselijke hang naar 'waarheid' probeert in te vullen.. (Wat vermoedelijk alleen maar wijst op een onvoltooide en warrige filosofie in mezelf.)
Desondanks vind ik het boeiend om te zien hoe elke filosofie uiteindelijk een antwoord probeert te bieden op die ene oorspronkelijke vraag, die het bestaan zelf problematiseert.
Ik beken: ik zit de laatste tijd wat filosofen te lezen die ik eigenlijk al lang had moeten gelezen hebben (zoals Hume, Spinoza,.. en op dit moment bvb. Stirner), waarbij ik toch vooral let op de manier waarop ze het bestaan zelf al dan niet problematiseren: wat is de essentie van de dingen? wanneer gaan we uit van veronderstellingen die we eigenlijk niet kunnen hardmaken? Is er niet veel dat we aannemen, alleen maar om het ons zelf leefbaar te maken? Is waarheid dan eigenlijk niet ondergeschikt aan zelfbehoud?
Nu, ik heb onlangs ook 'het boek der rusteloosheid' van Pessoa gelezen, en ben van plan om daar binnenkort iets over te schrijven, al was het maar omdat hij op weergaloze wijze het probleem van de realiteit aankaart.
Om dus te antwoorden op je vraag: volgens mij zijn er wel heel zinnige antwoorden op de 'ruime levensvragen' gegeven, maar de zinnigste antwoorden vind ik eigenlijk diegene die altijd een onbepaalde ruimte overhouden, en erkennen dat ze net iets tekort schieten. Maar die het stellen van de vraag toch belangrijk genoeg vinden, ook al weet men er geen volledig juist antwoord op te formuleren. Want uiteindelijk weten we, wat dat betreft, toch niet echt meer dan 2500 jaar geleden. (Daarom dat ik die oude antwoorden nog altijd even relevant vind, ook al moeten ze hier en daar wat aangepast worden aan de huidige stand van de wetenschap.)
(Daarom, nog een bekentenis, dat ik filosofie soms lees als een subcategorie van de literatuur. Want doet goede literatuur uiteindelijk iets meer dan het bestaan problematiseren? Alleen vertrekt literatuur vanuit een onbestaande werkelijkheid om van daaruit de werkelijkheid zelf in vraag te stellen - terwijl filosofie vanuit die werkelijkheid zelf vertrekt. Maar ze hebben hetzelfde doel: de vraag stellen waarom het bestaan is zoals het is, en daar een antwoord op formuleren dat genoeg ruimte overlaat om alles nog complexer dan voorheen te vinden. :) )
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:21
Als de filosofie steeds maar weer cirkelt rond die blijkbaar ongrijpbare (lege?) kern van het 'dat', van het 'dat de wereld er is', en alle filosofische constructies (althans toch de metafysische - maar laten we even elke filosofie die geen metafysica is verwerpen vanuit de premisse dat er helemaal geen niet-metafysische filosofie bestaat - elk denksysteem heeft haar eigen vooronderstelling, dat systeem nog het meest dat triomfantelijk en met logische grijns op het door logische oefeningetjes makende verweerde en ook wel wat geretardeerde gezicht uitroept dat het helemaal vrij van vooronderstellingen is); als alle filosofische constructies dus in essentie bouwwerken zijn die onze plaats in dit dat-het-er-is moeten duiden, veiligstellen, van warme nestelijke veiligheid moeten voorzien, kan de vraag naar het 'dat' dan eigenlijk niet beter worden geherformuleerd naar de vraag van het 'waar'?
Dat is wat Sloterdijk in zijn Sferen poogt aan te tonen, en ik meen dat hij een punt heeft - en niet alleen omdat reeds Novalis dichtte: 'Filisofie is heimweh, de drang overal thuis te zijn' (waarbij ik ooit opmerkte: en dus de facto nergens')
Dit maar om te sugggeren dat niet alleen de vraag naar het 'dat-de-wereld-er-is' een legitieme vraag is, maar dat deze zichzelf kan verhuizen naar de vraag van het 'waar-is-de-mens-in-deze-wereld-dat-deze-en-hij-er-is'.
Laat ik afsluitend opmerken dat er dus sprake is van de steeds nieuwe optrekjes bewonende drievuldigheid, een polygaam marriage-à-trois van het datwat, het waar en het hoe (dit laatste dus de empirie van de wetenschap)
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:21