Geloofsgenetica
Al een en ander werd geschreven over de evolutionaire basis van de neiging tot religiositeit. Ongetwijfeld zullen er disposities zijn die een individu vatbaarder maken voor het aanvaarden van een religieus wereldbeeld. _Citaat: Genetic and environmental influences in social attitudes were investigated in adopted and nonadopted children (N = 654) and their biological and adoptive relatives in the Colorado Adoption Project. Conservatism and religious attitudes were measured in the children annually from ages 12 to 15 and in the parents during the 12-year-old visit. Multivariate genetic model fitting indicated that both conservatism and religious attitudes, are strongly influenced by shared-family environmental factors throughout adolescence. In contrast to previous findings from twin studies, which suggest that genetic influence on social attitudes does not emerge until adulthood, the present study detected significant genetic influence in conservatism as early as age 12. There was no evidence of genetic influence, however, on religious attitudes during adolescence. (PsycINFO Database Record (c) 2007 APA, all rights reserved) _ uit deze studie volgde echter de conclusie dat de genetische factor op religieuze attitude nihil was. Hoe rijmen we dit met de bibliotheek vol boeken over de evolutionaire,genetische grondslag van religie?




Reacties (13)
Hoe dat te rijmen valt? Heel simpel. Gedragsgenetica onderzoekt de heritabiliteit van gedrag (en bij uitbreiding van psychologische attitudes). Als ze een lage heritabiliteit vinden, dan schrijft de populaire pers dat er geen of weinig genetische invloed is op bvb. religiositeit. Een lage heritabiliteit betekent echter niet dat er geen genetische invloed zou zijn. Het betekent wel dat de variatie in die trek slechts in geringe mate door genetische variatie wordt verklaard. Vreemd genoeg, en dit is heel belangrijk, is een lage heritabiliteit doorgaans een aanwijzing voor de adaptiviteit van een trek. Als je goed nadenkt, is dat trouwens helemaal niet vreemd: genetische variatie is de brandstof waarop natuurlijke selectie werkt, maar die variatie wordt door de natuurlijke selectie uitgewist (de brandstof wordt opgebruikt). Dus de lage heritabiliteit is eerder een aanwijzing voor het feit dat rerligie een adaptie is dan dat het reden is om de bestaande adaptationistische verklaringen naar de prullenmand te verwijzen.
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Ik heb het artikel niet gelezen, maar een bibliotheek weegt wel meer (door) dan één artikel. De vraag is dan ook of het artikel wel dezelfde definities gebruikt als de andere en of er geen sprake is van bias in de gebruikte steekproef van kinderen. Voor zo'n artikel lijkt het me wel de moeite om de methodologie eens na te kijken.
Hoe 'meet' je overigens conservatisme en 'religieuze gewoontes'? En wat zeggen religieuze gewoontes over de religiositeit van het kind? Als ze dat bij mij op mijn twaalfde gemeten hadden, zou de uitkomst zijn dat ik religieus ben, want ik bad aan tafel met m'n ouders en ik was zelfs misdienaar. Maar ik was toen zeker niet religieus, enkel religieus opgevoed. Op mijn twintigste zou men bij mij dan ook geen enkele religieuze gewoonte meer hebben kunnen meten, uitgezonderd dan van het feit dat ik als student op een jezuïetenpeda zat.
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Ik heb het hele artikel ook niet gelezen,mijn aandacht werd er op gevestigd bij het lezen van een een tekstboek persoonlijkheidspsychologie. Wat me opmerkelijk leek was dat voor de trek 'religious attitude' een variatie 0 werd bekomen,terwijl voor bvb 'traditionalism' tussen de 30 en de 60 werd opgetekend. Het lijkt me ook een gerespecteerd artikel dus ga ik er van uit dat er wel iets uit te concluderen valt.
Mijn vermoeden is dat een complex cultureel fenomeen als religie appeleert aan een veelheid aan erfelijke disposities zodat de genetische basis er wel is maar religie aan het hele repertoire van menselijke traits kan appeleren,onder de geschikte omstandigheden.
In dat geval lijkt het me logisch dat een uitgebreide bibliotheek meer duidelijkheid biedt dan een envoudige stelling.
Dit verklaart de adaptiviteit en tegelijkertijd waarom die niet is vast te pinnen op een fundamentele persoonlijkheidsstrek met sterke erfelijke kenmerken.
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Koen, heb je op Lerkeveld gezeten?
"Een lage heritabiliteit betekent niet dat er geen genetische invloed is"
Dat lijkt me correct als je conclusies trekt uit één specifiek experiment (of uit een groep specifieke, gelijkaardige experimenten), maar die genetische invloed die er dan toch eventueel zou kunnen zijn, moet je m.i. dan uit een ander experiment of uit goede andere redenen afleiden.
"een lage heritabiliteit is doorgaans een aanwijzing voor de adaptativiteit van een kenmerk".
De passage die met deze zin begint, en dus ook de conclusie die je trekt over religie, begrijp ik niet helemaal.
Om bij de context van het experiment dat wordt beschreven te blijven: er was blijkbaar geen relatie tussen de genetische verwantschap en de verwantschap van het kenmerk dat bestudeerd werd (religie). Ik stel me daar het volgend bij voor: alles kwam ongeveer evenveel voor. Genetisch verwante mensen met verwante religieuze kenmerken, genetisch minder verwante mensen die toch gelijkaardige religieuze kenmerken hadden, genetisch sterk verwante mensen met sterk uiteenlopende religieuze kenmerken, enzovoort.
Het is me niet duidelijk hoe dit een aanwijzing kan zijn dat religieuze attitudes een adaptatief kenmerk zijn - tenzij je er vooraf van uit gaat dat religieuze attitudes genetisch bepaald zijn.
Het volgende is mogelijk. We hebben genetische kenmerken waar weinig variatie op zit (we hebben bijna allemaal twee armen en twee benen). Noem dat klasse X. We hebben genetische kenmerken waar veel variatie op zit (haarkleur, huidskleur, kleur van de ogen, de aanleg om geïrriteerd te geraken door Yves Desmet in De Morgen enzovoort). Noem dat klasse Y. Als je in zo'n situatie de heritabiliteit gaat onderzoeken van een kenmerk uit klasse X, zal die laag zijn. Mensen die genetische verschillen, hebben per definitie verschillende kenmerken uit klasse Y, maar, evenzeer per definitie, gelijkaardige kenmerken uit klasse X. Er is dus statistisch gezien geen relatie tussen het aantal armen dat je hebt, en je haarkleur, je huidskleur, de hoeveelheid gal die Yves Desmet je laat produceren, enzovoort.
In zo'n geval valt er iets te zeggen voor het idee dat lage heritabiliteit wijst op "adaptatie". Twee armen hebben is een "adaptatief kenmerk". Maar merk op dat je om dit aan te nemen vooraf al goede argumenten moet hebben om aan te nemen dat het getal van onze armen genetisch bepaald is. Welke argumenten zijn er om aan te nemen dat religieuze attitudes een adaptatief kenmerk zijn, en daarmee bedoel ik argumenten die ook goed zijn voor iemand die niet vooraf oordeelt dat alles een genetische basis heeft?
Vergeef me het gebrek aan eerbied, maar zoals jij het formuleert (of zoals ik het begrijp, kies maar) is je redenering een tikje psychoanalytisch. Hoge heritabiliteit wijst op een genetische basis van kenmerken, lage heritabiliteit wijst op adaptie, en dus ook op een genetische basis van kenmerken.
Of heb ik hier iets niet begrepen?
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
ja, ik heb op Lerkeveld gezeten, maar mij naam is wel degelijk Andreas.
Ik zal de redenering eens stap voor stap herhalen:
1. Ik heb geschreven dat heritabiliteit niets zegt over het al dan niet hebben van een genetische basis. Wat preciezer geformuleerd zou je kunnen zeggen dat een lage heritabiliteit van trek X niet betekent dat er voor trek X niet genetisch gecodeerd is.
2. Anders dan veel mensen denken, inclusief dus ook PeterA, is een hoge heritabiliteit van trek X doorgaans geen aanwijzing dat trek X adaptief is, wel integendeel. Uitzoindering hierop zijn trekken die seksueel geselecteerd zijn, maar waarom dat zo is, weet men nog altijd niet precies. Dit probleem staat betkent als de lek-paradox.
3. Reden voor de lage heritabiliteit van een adaptieve trek is dat een adaptieve trek per definitie onder sterke selectiedruk staat en sterke selectiedruk voor genotype betekent gewoon dat de genenfrequentie van adaptief genotype X enorm gaat toenemen in de populatie. De variatie vermindert dus.
4. Is lage heritabiliteit dan een aanwijzing voor adaptiviteit? Ja, terwijl hoge heritabiliteit dat niet is.
5. Betekent lage heritabiliteit van trek X meteen dat X een adaptatie is? Neen, want zoals je zelf zegt volgt uit de lage heritabiliteit van trek X nog niet dat het onder genetische controle staat. Dus moeten er naast lage heritabiliteit nog andere aanwijzingen zijn dat trek X een adaptatie is.
6. Andere aanwijzingen zijn bvb. (a) form fits function, (b) relatieve universaliteit van de trek, (c) 'prepared learning' van religie, ...
7. Is religie een adaptatie? Ik weet het niet, maar wat ik wel weet is dat de aanwijzingen van de gedragsgenetica dat niet uitsluiten, zoals PeterA veronderstelde, maar eerder suggereren.
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Ja, ik heb op Lerkeveld gezeten, vijf jaar lang. Ik mis het wel, het was een schitterende tijd :-)
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Aliaspg,koen,andreas,
Ten eerste denk ik dat het nodig is erfelijkheid onder te delen,er is zuiver genetische erfelijkheid,die sterk is op het kenmerk 'aantal benen' bvb. Op psychisch vlak is die redelijk sterk op de kenmerken neuroticisme,verbeeldingskracht en agressie om er enkele te noemen.
Maar er is ook zoiets als culturele erfelijkheid,bepaalde omgevingen kunnen voor individuen met een tot dan toe neutraal kenmerk voordeel bieden,dat kenmerk is dan plots adaptief geworden terwijl het daarvoor misschien neutraal was. Sterk genetisch bepaalde kenmerken zeggen dus iets over de adaptiviteit in het EEA maar niet noodzakelijk iets over adaptiviteit in het hier en nu. Het selecteren van tamme wolven is een mooi voorbeeld,de mens pastte de omgeving van de wolf aan zodat een kenmerk dat in een natuurlijke wolvenomgeving adaptief was (agressie) in de nieuwe omgeving een nadeel vertegenwoordigde. De cultuur bepaalde dus welke kenmerken adaptief waren. Blauwe ogen blijven neutraal tot er plots een grote voorkeur ontstaat bij vrouwen voor blauwogige partners of tot een man als Hitler aan de macht komt en vrijuit zijn ding kan doen.
Waar de studie volgens mij op wijst is dat 'religieuze attitude' niet adaptief is voor de mens als organisme,tenzij een bepaalde cultuur die eigenschap vooropsteld. Het is niet zo moeilijk een cultuur voor de geest te halen waar een gebrek aan religieuze attitude regelrechte uitsluiting betekend.een tweede stelling die ik uit die studie durf te destileren is dat er geen zuiver genetisch overerfbare trekken zijn die predisponeren voor religiositeit,dus zullen allen die op zoek zijn naar eenduidige biologische of fysiologische kenmerken die predisponeren voor religiositeit van een kale reis thuiskomen.
Wat sterk genetisch overerfbare kenmerken volgens mij gemeen hebben is een grote adaptiviteit in het EEA,maar niet noodzakelijk in de huidige omgeving. Om de relatie erfelijkheid/adaptiviteit te beschouwen moeten we mi de omgeving definieren waaraan we adaptie toekennen. religieuze culturen zijn daarbij volgens mij veel determinerender dat genetische disposities.
Misschien moeten we eerder op zoek gaan naar genetische disposities bij de behoeders van die culturen,de variatie zal daar misschien iets kleiner zijn dan bij de adepten er van.
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Ikzelf suggereer natuurlijk nergens dat een sterke heritabiliteit wijst op adaptie. Als ik die PeterA ben, dan is er een vergissing in het spel. Evenmin beweer ik dat de aanwijzingen uit de gedragsgenetica "uitsluiten" dat religieuze kenmerken adapties zijn.
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Beste aliaspg
PeterA is peter adriaenssens
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Even nog een vraagje, niet bedoeld als kritiek, maar gewoon uit nieuwsgierigheid.
Stel je doet een experiment dat het statistische verband tussen genetische verwantschap en een bepaald kenmerk onderzoekt. Het experiment vergelijkt de variatie van het kenmerk met de variatie in de genetische verwantschap en stelt lage heritabiliteit vast.
Als je er van uit gaat dat het kenmerk in kwestie een genetische basis heeft, lijken me voor dit resultaat verschillende verklaringen mogelijk te zijn. Eén verklaring is adaptatie. Een andere verklaring is de volgende: de variaties in het kenmerk worden bepaald door variaties in genetische eigenschappen die wel degelijk aanwezig zijn in de bestudeerde populatie, maar niet zichtbaar zijn in het experiment (door wat ik een tikje naïef de "meetfout" zou willen noemen). Voor zover ik het begrijp spreek je in dit geval niet van adaptatie.
Hoe maak je in de praktijk het onderscheid tussen deze twee gevallen? Het lijkt me niet zo simpel.
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Goeie vraag. Ik denk niet dat er een eenduidig antwoord op bestaat. Maar ik zal toch een poging doen om iets te antwoorden.
Ten eerste zijn de manieren om genetische variatie te meten bij gedragsgenetisch onderzoek bij mijn weten tot op heden vooral gebaseerd op correlaten van genetische variatie, nl. biologische verwantschap. Dit is zeker een goede maat, van zodra de sample groot genoeg is. Dat is bijvoorbeeld bij het bekende tweelingenonderzoek van Bouchard niet altijd het geval.
Ten tweede is het fundamentele theorema van Fisher (waarvan ik een versie gegeven heb die ik begrijp) correct, zo veronderstellen de meeste evolutiebiologen, maar is het belang ervan voor empirisch evolutiebiologisch onderzoek beperkt en hoofdzakelijk negatief, in die zin dat je eruit kan afleiden dat een lage heritabiliteit van X niet betekent dat X geen adaptatie is. Maar omdat er in een aantal gevallen (seksuele selectie, maar ook bijvoorbeeld bij negatieve frequency dependent selection) de heritabiliteit hoog is bij adaptatie, wordt de heritabiliteit nooit als een doorslaggevend argument gezien. Het is eerder een aanwijzing. Mar merk op: als er een hoge heritabiliteit is, dan kan dat ook als een aanwijzing fungeren. Als men bvb. via speltheoretische modellen kan aantonen dat er een evolutionair evenwicht tussen twee strategieën kan ontstaan, dan is hoge heritabilteit een aanwijzing dat er sprake is van een adaptatie.
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Gedragsgenetisch onderzoek via familie- adoptie- en tweelingenstudies duiden volgens mij op een mate van erfelijkheid van gemeten kenmerken binnen de bestudeerde populatie,maar geven nog geen uitsluitsel over adaptiviteit,
Belangrijke bedenkingen die men moet maken volgens mij,
1) Is de bestudeerde trek een interne causale trek of eerder een trek die zich uit via gedrag (wat volgens mij het geval is bij de trek ‘religious attitude’)?
In het eerste geval zal moeten blijken dat deze trek intercultureel is en sterk genetisch verankerd. Bijgevolg kan men er van uit gaan dat deze trek een belangrijke adaptieve functie heeft gehad op het ogenblik dat ie evolutionair is geselecteerd. In het tweede geval zal men moeilijker erfelijkheid ontdekken omdat vergelijkbaar gedrag vanuit tegengestelde disposities kan ontstaan,sommige actrices zijn fundamenteel extravert terwijl andere het podium opzoeken als coping strategie vanuit fundamentele introvertie bvb,als men dus ‘neiging tot performen’ als trek zou definiëren is de kans groot dat men lage erfelijkheid vaststelt,doet men hetzelfde voor intro-/extraversie zal die erfelijkheid hoog zijn. Dit terwijl vanuit behavioristisch oogpunt beide personen als extravert zullen worden gezien.(Evolutie)biologen kunnen dus moeilijk vanuit dat vakgebied uitspraken doen over sterk cultuurgebonden gedrag zoals religiositeit,behalve dat het een trek betreft die eerder zijn oorsprong vindt in cultuur,omgeving,nurture dan in genetische disposities,pleistocene adaptie,nature.
2) Over welke adaptiviteit hebben we het? Waaraan adapteert de bestudeerde trek? Weerom,als het een complexe gedragstrek betreft zal de adaptie eerder aan een complexe culturele omgeving zijn geweest daarentegen zal een fundamentele causale eigenschap zijn adaptieve kracht hebben gehad ergens in het verre verleden.
Een gedragsgenetisch experiment zegt dus iets over de mate van erfelijkheid maar niet over het causale karakter er van,daarvoor is,in het geval van extern waarneembare trekken, persoonlijkheidsonderzoek nodig bij de individuen die de populatie uitmaken.
Om op de vraag terug te komen,als een lage erfelijkheid wordt vastgesteld mag je er gewoon niet van uit gaan dat het kenmerk een relatief eenduidige,biologische,fysiologische en genetische basis heeft. Het licht dat de biologie kan laten schijnen op dergelijke vraagstukken is zeker niet onbelangrijk,maar ook wel beperkt.
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17
Er is nog iets wat ik niet begrijp (ik zeur maar door, zoals je ziet).
Opmerking één.
Op een adaptatief kenmerk heerst een zware selectiedruk, wat betekent dat het kenmerk veel voorkomt. Anders gezegd: er zit weinig variatie op het kenmerk, of nog anders gezegd: de variatie is onevenwichtig gespreid. Het kenmerk komt in het grootste deel van de populatie voor, en afwijkingen van het kenmerk zitten geconcentreerd in een klein deel van de populatie. De genenfrequentie van adaptatief genotype X is hoog in de populatie, om jouw woorden te lenen. Ik laat dat evenwicht tussen twee strategieën even buiten beschouwing.
Mijn statistische intuïtie zegt me dat je dat moet merken als je de resultaten van je experiment verwerkt. Stel dat je de heritabiliteit van een kenmerk onderzoekt door te kijken naar het verband tussen dat kenmerk en familiale verwantschap. Stel bovendien dat X adaptatief is. Puur statistisch gezien is het dan begrijpelijk dat het moeilijk is om een solide verband te ontdekken tussen familiale verwantschap en het voorkomen van het kenmerk in kwestie. In feite is het zelfs moeilijk om een verband te vinden tussen om het even wat en het kenmerk. Dat is een puur statistisch gevolg van de beperkte variatie die er op het kenmerk zit. Je moet al grote populaties bestuderen om een ondubbelzinnig verband te zien. En hoe adaptatiever het kenmerk is, hoe groter die populaties moeten zijn (Ik heb geen idee van de kwantitatieve relatie tussen die twee, hoewel deze natuurlijk erg belangrijk is).
Een afwezigheid van statistische aanwijzingen voor heritabiliteit kan dus op adaptatie wijzen, maar het voorbeeld suggereert dat er een voorwaarde is: het gebrek aan statistische aanwijzing is te wijten aan de beperkte variatie die er zit op het kenmerk (vs. de grote variatie die er zit op familiale verwantschap).
Vandaar vraag één.
Stel nu dat je een experiment doet waarin er een grote en geen kleine variatie zit op het kenmerk, en stel dat je nog altijd geen heritabiliteit ziet. Mag je dan besluiten dat adaptatie niet zo waarschijnlijk is? Het feit dat er een grote variatie zit op het kenmerk lijkt op zich al te suggereren dat het kenmerk niet adaptatief is. Of vergis ik me? (Ik laat nog altijd die speltheoretische beschouwingen links liggen.)
Opmerking twee.
De "variatie" op iets is in hoge mate een eigenschap van de meetmethode. Om bij gedragsgenetica en religie te blijven: als je alleen kijkt naar de parameter "religiositeit" zie je minder variatie, dan wanneer je ook het onderscheid maakt tussen katholiek/joods/islamitisch/protestants/boeddhistisch/etc. En stel dat je alleen naar de parameter religiositeit kijkt: hoe meet je die dan? Bestudeer je de frequentie van tempelbezoek (kerk, synagoge, moskee,...)? Kijk je naar wat de populatie echt doét, of kijk je naar het antwoord op een vragenlijst? Wat doe je met mensen die trouw naar de kerk gaan, maar dat eigenlijk doen omdat iedereen in hun sociale (en dus niet noodzakelijk verwante) omgeving het doet? Hou je ook rekening met bijgeloof? Mensen die zichzelf niet beschouwen als een aanhanger van een godsdienst kunnen erg bijgelovig zijn. Bovendien spurten mensen die zichzelf als ongelovige bestempelen, misschien als eerste naar een kerk als een oorlog uitbreekt, etc. Niet is alleen de variatie van een kenmerk (deels) een eigenschap van de meetmethode: ook het kenmerk in kwestie is (deels) een eigenschap van die methode. Bovendien kan het voorkomen van het kenmerk verbonden zijn met een context die aan de meetmethode ontsnapt.
Vandaar vraag twee (die zelf uit twee vragen bestaat).
- Is het mogelijk dat bij een onderzoek heritabiliteit "gecreëerd" of "weggetoverd" wordt door de meetmethode? En wat betekekent dat voor eventuele aanwijzingen voor adaptatie?
- Hoe vergelijk je verschillende onderzoeken die verschillende meetmethoden hanteren?
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:17