Filosofie van de vervaldatum (1): Over de zaak-Muffinman en de economische crisis
De zaak-Muffinman gaat over Steven De Geynst. Die loopt het gevaar veroordeeld te worden tot 6 maanden cel met uitstel, omdat hij 2 zakken muffins gestolen uit de open afvalcontainer van een supermarkt. Nu deze 'Muffinman' in beroep is gegaan tegen de uitspraak, is er veel media-aandacht gekomen en is ook duidelijk dat er verwarring is over welke misdaad hier net gesproken wordt: diefstal, volksgezondheid, een moderne Robin Hood? Ik heb de indruk dat er enkele filosofische kwesties schuilgaan achter die verwarring. In deze eerste bijdrage wil ik daarom even ingaan op de zaak-Muffinman, en helder maken wat de verschillende vragen en problemen zijn die spelen in deze zaak en om dan in mijn ogen inderdaad te stoten op wat ik zal noemen, de filosofie van de vervaldatum.
Eerst de feiten, of liever: de standpunten
De standpunten in de gerechtelijke zaak zijn de volgende. De advocaat van De Geynst zegt dat het dispuut hier gaat over een beschuldiging van diefstal, en beschouwt het ontvreemden van afval niet als diefstal. Het openbaar ministerie is minder eenduidig, en heeft het o.m. over de milieuwetgeving, volgens hen is het delict en mogelijke navolging ervan belangrijk als een "risico voor de volksgezondheid". Voor het publiek dat De Geynst steunt is er echter nog sprake van een andere 'misdaad': het massaal verspillen en vernietigen van voedsel en voedseloverschotten, dat kan dienen om de armen in de samenleving te voeden. Maar dit is niet het type misdaad dat de supermarkt of zijn eigenaar strafbaar maakt: wettelijk mag iemand beslissen om een eigen goed of eigen voedsel te beschouwen als afval, als tenminste dat afval ook op een daarvoor bestemde afvalplaats wordt gestort en de nodige afvaltaks betaald wordt. Wettelijk of juridisch gezien is het publieke standpunt over voedselverspilling blijkbaar dus niet van belang.
De juridische vraag
In de rechtbank waren het dan ook enkel de eerste twee standpunten die een rol speelden. Filosofisch is het interessant dat die standpunten in eerste instantie los van mekaar bekeken kunnen worden. De vraag 'is afval ontnemen diefstal?' kan beantwoord worden zonder ook maar te denken aan de vraag 'is het uitdelen van afvalvoedsel een risico voor de volksgezondheid?'.
"Afval ontnemen is diefstal" : bedenk even wat er gebeurt als een particulier zijn afval brengt naar een stortplaats. Een deel van dit afval kan worden hersteld (bv. een oude radio) of nog bruikbaar worden geacht om zo in een kringloopcentrum te belanden. Het lijkt me vanzelfsprekend dat de particulier dan zijn eigendomsrecht al verloren heeft : dat kringloopcentrum mag doen wat het wil met dit afval.
Minder duidelijk is het wanneer een particulier naar een stortplaats gaat om er dingen weg te halen die hij of zij bruikbaar acht. Dit kan echter niet, zomaar dingen weghalen bij een stortplaats is in principe verboden... het blijkt dus dat enkel 'gefilterd afval' (namelijk afval dat al door een kanaal zoals het kringloopcentrum gepasseerd is) mag worden weggehaald.
En hier komt dan het verband met de tweede kwestie naar boven: 'gefilterd afval' uit het kringloopcentrum lijkt hetzelfde als 'afvalvoedsel' van voedselbanken. Beiden worden toegestaan omdat er een instantie is die als filter dient (en dus de verantwoordelijkheid draagt). Schijnbaar acht de overheid een particulier niet geschikt om deze verantwoordelijkheid te dragen.
Hoe dat komt? Volgens mij botsen we hier op de filosofie van de vervaldatum.
Filosofie van de vervaldatum
Waarvoor dient een vervaldatum? Een eerste doel is zeker om te informeren: mensen zien aan de vervaldatum wat de voorspelde houdbaarheid van een product is, en kunnen op basis daarvan de waarde van het product inschatten. Een belangrijker doel is echter het doorschuiven van verantwoordelijkheid: iemand die een product te lang bewaart en het daarna nog eet, is zelf verantwoordelijk voor de mogelijke ziekten die hij of zij daarvan krijgt. Wie echter ziek wordt van een product dat volgens de datum nog niet vervallen is, kan de schuld geven aan de producent.
Volgens deze afspraak kan het perfect gebeuren dat een onoplettende consument een product koopt dat al vervallen is wanneer het al in de winkel ligt. Het is begrijpelijk dat een consument zich dan bedrogen voelt. Om dit soort situaties te vermijden, is door de overheid de regel ingesteld dat producten die hun vervaldatum overschrijden, niet mogen verkocht worden - tenzij dus via doorsluiskanalen zoals kringloopcentra, voedselbanken en dergelijke.
Dit zijn allemaal duidelijke beslissingen. De grijze zones beginnen pas als we het idee van de vervaldatum nader bekijken. Een vervaldatum is immers maar een voorspelling, en om zeker te spelen wordt een ruime veilgheidsmarge genomen op de voorspelling dat een product vervalt. Een product is bovendien ook niet op de ene dag 'goed' en op de andere dag 'slecht': zoals een appel nog goed is behalve die ene rotte plek.
Het is dus perfect voorstelbaar dat een supermarkt gewoonweg zijn producten sorteert, met aparte rekken voor producten die bijna zullen vervallen (dit wordt nu trouwens gedaan), maar ook voor producten die recent vervallen zijn. Zo'n producten kunnen immers ook nog waarde hebben : tot, natuurlijk, ze volledig zijn vervallen en we niet meer over een grijze zone kunnen spreken. Op deze manier zou een grijze zone kunnen opgelost worden. Maar, dat vraagt wel om een goede interpretatie door de winkels die producten verkopen, en om een consument die beseft waarmee hij bezig is. Waar ligt precies het probleem dan voor de overheid, die zo'n oplossing niet licht zal aanvaarden?
De grijze zone van de wet
Volgens mij heeft dit te maken met die andere grijze zone: die van de wet, meer bepaald die van aansprakelijkheid. Wanneer ik spreek over een 'sortering met een apart rek voor vervallen producten', is het immers niet duidelijk hoe die sortering moet gebeuren. Hoe kan de wet gehandhaafd worden wanneer een winkel op een bedrieglijke manier zijn producten heeft neergelegd, waardoor iemand vervallen producten koopt zonder daarvoor te kiezen? Hoe kan een winkel dit op een goede manier doen, zodanig dat geen enkele consument nog een fout kan maken?
Wanneer de wet beslissingen moet maken over dergelijke gevallen, bevindt ze zich ook in een grijze zone. Het lijkt inderdaad behoorlijk ingewikkeld om op een juiste manier de sorteringen van supermarkten te controleren. En dus is de keuze van de overheid voor de gemakkelijke oplossing: alle vervallen producten worden als afval beschouwd voor gewone winkels, en kunnen enkel door aparte instanties met eigen kwaliteitseisen worden verhandeld.
De filter van de voedselbanken
Die kwaliteitseisen voor voedselbanken, die mee door de overheid beheerd worden, hebben twee problemen tot gevolg. Ten eerste, omdat het voedsel moet doorgegeven worden van de winkel naar de voedselbank, bestaat het risico dat dit niet efficient gebeurt. Zo kan het dat niet alles wordt meegegeven. De voedselbank wil bv niet meer betalen voor iets wat volgens haar afval is, of de winkel vindt het teveel kosten om bepaald soort voedsel apart te houden voor de voedselbank. Ten tweede speelt de individuele consument door dit systeem niet meer mee in de keuze voor een al dan niet vervallen product - dit wordt volledig beslist door de overheid en de voedselbanken, die immers ook niet zomaar alles mogen verkopen. Een overheid die niet houdt van grijze zones zal ook hier een veiligheidsmarge nemen, en dus is het waarschijnlijk dat veel producten die wel eetbaar zijn, gewoon als afval zullen worden geklasseerd.
Voedselveiligheid, volksgezondheid...economie
Dit speelt allemaal mee in dat derde, publieke standpunt over de zaak-Muffinman : dat de grootschalige verspilling van voedsel de echte misdaad is, en dat iets als de voedselbanken als maatregel ontoereikend is. Voor mensen die dit standpunt verdedigen worden woorden als voedselveiligheid en volksgezondheid iets te vlot gebruikt, en wordt die 'veiligheidsmarge' op de vervallen producten wel erg ruim genomen. En is de echte zorg van grootwarenhuizen en supermarkten enkel: de winst die ze kunnen maken.
En daar valt iets voor te zeggen. Het is interessant om terug te grijpen naar de eerste ideeën over 'de levensduur van een product'. Dit kwam pas tot stand in 1932, ten tijde van de Great Depression in de Verenigde Staten. In een pamflet getiteld 'Ending the Depression through Planned Obsolescence' stelt Jack London dat de oorzaak van de recessie een opsparen van 'verouderde' producten is waardoor er minder nieuwe producten gekocht worden:
In a word, people generally, in a frightened and hysterical mood, are using everything that they own longer than was their custom before the depression. In the earlier period of prosperity, the American people did not wait until the last possible bit of use had been extracted from every commodity. They replaced old articles with new for reasons of fashion and up-to-dateness. They gave up old homes and old automobiles long before they were worn out, merely because they were obsolete.
London's eenvoudige oplossing is dan ook om vanuit de regering vaste levensduren in te stellen op producten. Mensen die een auto langer gebruiken dan zijn levensduur moeten bijvoorbeeld meer belastingen betalen. Op die manier worden mensen - voor hun eigen bestwil! - verplicht om oudere producten te vervangen en zo de economie draaiende te houden. Hoewel het nooit zo ver gekomen is, kan zeker worden vastgesteld dat dit idee zijn invloed niet heeft gemist... Tegenwoordig lijkt het alsof je om het seizoen nieuwe kleren moet kopen, om het jaar een nieuwe gsm, om de zoveel jaar een nieuwe computer omdat oudere software niet meer wordt ondersteund op je oude machine. De drijvende reden daarvoor is zeker: economie. Kunnen we nu hetzelfde zeggen over de levensduur van voedsel, dat wil zeggen de vervaldatum?
Dat is een gewaagde claim, en ik laat het aan ieder om daarover een standpunt te vormen. Zeker is wel dat de volgende oplossing voor het voedselprobleem niet door producenten wordt aangeboden: een uitgebreide informatiekaart over vervaltijd op elk product. De informatie daarover bestaat natuurlijk bij de producent: op basis daarvan bepalen ze immers de vervaldatum-met-veiligheidsmarge. Met deze volledigere informatie is het dan wel mogelijk om op een eenduidige manier voedsel te sorteren in de supermarkt, en op een eenduidige manier als overheid in te grijpen als daartegen wordt gezondigd door winkels of producenten. Een overheid kan dan gericht inspelen op de 'grijze zone' tussen "hoogstwaarschijnlijk vervallen" en "ongetwijfeld nog niet vervallen". De kans is groot dat de voedseloverschotten hierdoor groeien, en ook nog eens op verschillende markten kunnen inspelen: niet alleen mensen die zich verplicht voelen om naar voedselbanken te gaan, maar ook mensen uit de grijze zone, die het wat zuiniger moeten houden maar die toch nog willen kiezen voor iets kwaliteitsvoller voedsel. Dat dit soort scenario wellicht niet realiseerbaar is heeft mijns inziens niets te maken met voedselveiligheid of volksgezondheid, maar alles met de economische afwegingen van de voedselproducenten. Er lijkt nu eenmaal weinig te winnen met een dergelijke opzet...
Wie heeft de verantwoordelijkheid?
Na dit alles ligt voor mij de belangrijke vraag niet in de juridische vraag, maar in een maatschappelijke vraag: wie heeft hier, in het beslissen wat er gebeurt met vervallen voedsel, de verantwoordelijkheid? Of hoe is die verantwoordelijkheid verdeeld onder verschillende partijen, en wie velt het eindoordeel over de beslissing die de verantwoordelijke partijen nemen? Na de laatste paragraaf verschijnt immers het unheimliche gevoel dat de publieke opinie, of de democratische kiezer, of de moreel bewuste consument, hier geen invloed kan uitoefenen. En dat is verontrustend. Het Institut für Sozialforschung, het sociologische instituut dat grote namen als Adorno en Horkheimer onder zich gehad heeft, heeft het in zijn huidige onderzoek vaak over erkenning. Erkenning is een belangrijke drijfveer voor de verontwaardigde bevolking, en is een reden waarom de Occupy-bewegingen zijn opgestaan, en ook waarom jongerenrellen in Europese steden zo vaak voorkomen. Wat ik hier wil stellen, is dat de verontwaardiging over de zaak-Muffinman van dezelfde aard is. Erkenning, of liever miskenning, is een centraal thema geworden omdat de vroegere waarheid dat de westerse consument braaf en zoet kan worden gehouden nu aan het vervormen is. Meer en meer zijn mensen bewust bezig met het inzicht dat politieke middelen ontoereikend zijn voor bepalende problemen van de samenleving, die voornamelijk economisch van aard zijn. En meer en meer worden protesten tegen zo'n maatschappelijke én economische problemen meer gewone kost: een andersglobalisme is nog iets specifieks en kleins, maar een Occupy-beweging heeft al meer weg van een volksbeweging, en volgens het Frankfurter Instituut zal deze tendens niet vanzelf verdwijnen. Reden te meer dus om hard te gaan nadenken waar dergelijke maatschappelijke problemen vandaan komen, en of er vruchtbare oplossingen bestaan. Er komt dus nog wat van die 'filosofie van de vervaldatum'.



Reacties (2)
Goed onderwerp, goed beschreven.
Inhoudelijk meen ik zelf dat er nagedacht moet worden over de opheffing van het eigendomsrecht bij verzaking aan de plicht tot consumptie. Momenteel wordt deze discussie veelal gevoerd in termen van het recht op consumptie (in de zin van: "als ik mijn aankopen wil laten verrotten, dan heeft niemand daar zaken mee"). Ik denk dat hiermee het debat kan worden kortgesloten.
Men kan mijn inziens niet iets laten verrotten of verwaarlozen voorbij de grenzen van de consumeerbaarheid van het product én eigenaar blijven van het product. Men verliest dan - in mijn wereld - al diens eigendomsrechten en verkrijgt de plicht deze ontvoogding te reguleren.
Nog anders geformuleerd: het product heeft het recht om zo kwalitatief mogelijk geconsumeerd te worden. Is dat niet gelukt door nalatigheid van de eigenaar, dan dient deze alsnog aan dat recht zo efficiënt en effectief mogelijk te voldoen - ten einde een andere eigenaar te vinden, ten einde diens consumptiepatroon te wijzigen.
Op zich lijkt het natuurlijk vreemd om te spreken van producten en hun rechten. Heel wat toegankelijker wordt het echter indien het dierenproducten betreft. Deze levende wezens zijn immers gestorven... om later te verrotten in de ijskast! En ook als men naar een flesje shampoo kijkt, is het eigenlijk helemaal niet vreemd om te spreken van diens rechten. Omwille van dat plastieken flesje shampoo werden immers tal van chemische processen opgewekt, natuurlijk water opgewarmd en afgekoeld, enzovoort, met mogelijk schadelijke gevolgen voor het milieu.
Daarom is het, omwille van het respect voor de rouw, voor het dier en voor de planeet, mijn inziens correct om te spreken van de rechten van het product. Al was het maar om er de plichten van de consument mee aan te duiden.
Met vriendelijke groet,
De Neo-Cynicus
Andreas Lauwers
---
Bewerkt door Neo-Cynicus op Jan 28 12 12:21
Zeer interessant idee!
Het kan zeker een insteek zijn om te kijken naar ecologische en ethische kosten... De maatschappelijke implicaties blijven echter moeilijk, dat begrijp je ook vast. In hoeverre kan dit immers worden nagevolgd : tot op het niveau van individuele consumenten? Laten we deze even onderscheiden van grotere 'wareneigenaars' zoals warenhuizen. Ik denk dat het zowel praktisch onhoudbaar als met betrekking tot inmenging en privacy moreel gevaarlijk is om mensen te gaan controleren via hun ijskast. Terwijl je toch vanuit dezelfde optiek kan beargumenteren dat bepaalde consumenten zo decadent omspringen dat iets zou moeten gebeuren.
Fundamenteler is dat deze gedachte impliceert dat er ethische kosten in de geldelijke zin zullen komen. Het is weliswaar duidelijk dat dit kan (je kunt ook ethische producten kopen, ethisch beleggen, CO2-uitstoot belasten), maar het belangrijkste probleem ligt hem in het opleggen van een internationaal geldende ethische kost, waarvan de hoeveelheid afhangt van menselijke normering(!). Ethische producten en ethisch beleggen is mogelijk, want de waarde wordt bepaald door de markt. CO2-uitstoot is mogelijk, want er is een basisprincipe over de standaardkost, op basis waarvan politieke uitzonderingen mogelijk zijn door onderhandeling.
Maar indien we naar een vorm van ethische wereldbelasting of verplichte ethische kosten gaan kijken, dan denk ik dat de politieke onderhandeling eerder regel dan uitzondering zou worden en moeten worden. Ik zou zelfs verwachten dat er ethische ruilhandel komt - het laten bederven van rundervlees zou door Indisch lobbywerk een hogere kost kunnen krijgen, ook in andere delen van de wereld. Het is me moeilijk te zien hoe zo'n systeem overeind zou kunnen blijven zonder een serieuze normvervaging, om dan uiteindelijk te verworden tot een parallel quasi-neutraal economisch systeem, met mogelijk hier en daar wat morele remmingen.