Ruimte in de technische wereld: GPS-filosofie
Op 31 oktober vindt in de Technische Universiteit Delft in Nederland de 33ste Vlaams-Nederlandse Filosofiedag plaats. U vindt mijn bijdrage om 13u30. Het centrale thema is dit jaar de relatie tussen filosofie en techniek. U komt toch ook!
Mijn lezing sluit aan bij het thema en betreft het volgende: via een postmodernisering van Kant's verklaring van ruimte en tijd als transcendentale vormen van onze zintuiglijke waarneming, kom ik via Samuel Ijsseling tot een analyse van de symbolische functie van GPS-technologie.
Tot dan!
We beginnen met een postmodernisering van Kant's verklaring van ruimte en tijd als transcendentale vormen van onze zintuiglijke waarneming en komen zo via Ijsseling terecht bij de symbolische functie van gps-technologie: 'Enjoy the ride'!
Kant onderzoekt in de 'Kritiek van de Zuivere Rede' de vraag naar de legitimering van de wiskunde. Deze is enerzijds getallenleer en berust op ons vermogen om te tellen. Nu is volgens Kant het tellen slechts mogelijk dankzij een opeenvolging van de tellende akten in de tijd. De arithmetica stoelt dus in laatste instantie op de tijd. Verder hebben we de meetkunde. Zij houdt zich, tenminste als euclidische meetkunde (en een andere bestaat er in Kants tijd nog niet), bezig met figuren van één tot drie dimensies. Dit betekent, dat de meetkunde de ruimte veronderstelt.
Nu toont Kant aan dat ruimte en tijd niet op zich bestaan, maar slechts de vormen zijn van onze waarneming van de dingen. Inderdaad nemen we niet ruimte en tijd waar, maar slechts ruimtelijke en tijdelijke dingen. Die dingen zijn de inhoud van ons waarnemen, en ruimte en tijd zijn de noodzakelijke vormen waarin dingen opgenomen moeten zijn om te kunnen worden waargenomen. Ruimte en tijd zijn dus de vormen van ons waarnemen. Verder zijn zij voor wat hun verhouding tot de dingen betreft, a priori. Want we kunnen ons een ruimte en tijd voorstellen zonder dingen daarin, maar nooit dingen die niet in tijd en ruimte zouden zijn.
Ruimte en tijd gaan dus vooraf aan de dingen, en wel zo, dat zij onze waarneming van dingen mogelijk maken. Een waargenomen ding is in feite niets anders dan bepaald gewaarwordingsmateriaal (zoals gezichts- en tastgewaarwordingen) geordend en tot eenheid gebracht in een vastomlijnd stuk ruimte en een welomschreven deel van de tijd. Ruimte en tijd als die ordeningsvormen zijn zelf niet datgene wat geordend wordt. Zij worden over het te ordenen materiaal heen gelegd. Zij zijn niet afkomstig uit het gewaarwordingsmateriaal, maar worden er door ons aan toegevoegd. Zij vinden dus hun oorsprong in feite in ons voorzover wij waarnemende subjecten zijn. Slechts door middel van deze toevoeging ontstaan er voor onze ogen waargenomen dingen als tijd-ruimtelijke eenheden.
Uit deze verklaring van ruimte en tijd als vormen van onze zintuiglijke waarneming vloeien drie belangrijke consequenties voort.
Ten eerste is hiermee verduidelijkt hoe wiskunde als a priori wetenschap mogelijk is: ruimte en tijd zijn de rechtsgrond van de wiskundige oordelen, en zij gaan vooraf aan de waarneming van dingen. Daarom kunnen we wiskunde bedrijven zonder eerst alle waargenomen dingen te hoeven meten en tellen.
Ten tweede hebben ruimte en tijd, in Kants terminologie, een transcendentale functie. Daarmee wordt bedoeld dat zij, niettegenstaande hun verankering in het zintuiglijke kenvermogen van het subject, toch constitutief zijn voor onze waarneming van dingen buiten ons. Zij helpen de gewaarwordingen tot waarnemingen verheffen.
En ten derde wordt daarmee het statuut van de waargenomen dingen bepaald. Een ding is niet een op zich gesloten entiteit die is zoals ze is. De dingen waarmee wij van doen hebben zijn, in Kants woorden, geen ‘dingen op zichzelf’, maar het resultaat van de opname van gewaarwordingen in de subjectieve vormen van onze zintuiglijkheid. Wat zich aan ons als een ding voordoet, is niet het ding zoals het op zich en los van ons waarnemen bestaat, maar slechts het ding als fenomeen, het ding zoals dat aan ons verschijnt dankzij onze ordeningsvormen ruimte en tijd.
In de postmoderne filosofie wordt de transcendentale functie van ruimte en tijd gerelativeerd doordat ze gerelateerd wordt aan de praktische betekenisgeving van ruimte en tijd in de leefwereld van het subject. Enerzijds wordt Kant’s visie hierdoor gerelativeerd, omdat de context van de leefwereld veronderstelt dat er een incomensurabele veelvormigheid aan leefwerelden zou bestaan. Dit staat in contrast met Kant’s nadruk op de universele geldingskracht van zoiets als een transcendentale functie. Binnenin de context van de leefwereld worden ruimte en tijd immers veeleer geanalyseerd in termen van hun symbolische functie binnen het transsubjectieve netwerk van de taal. Dit maakt dat men voor concepten als ruimte en tijd vooreerst moet kijken naar de wijze waarop deze concepten gebruikt worden binnen in een bepaald netwerk van culturele tradities. Met deze relatering wordt meteen ook een revisie mogelijk van de twee andere gevolgen die Kant deduceert uit zijn verklaring van ruimte en tijd als vormen van onze zintuiglijke waarneming:
Ten eerste wordt onduidelijk waarom de opmerking dat wiskunde als a priori wetenschap mogelijk is dankzij de transcendentale functie van ruimte en tijd nog relevant zou zijn. De moderne nood aan een begronding van de universaliteit van de wiskunde is immers weggevallen. Deze opmerking kan echter wel nog relevant zijn in het postmoderne verband met tijd en ruimte, op voorwaarde dat er ook duidelijk kan gemaakt worden of - en zoja: hoe – de taal als priori betekenissysteem mogelijk zou zijn. Maar dat is voor een andere keer.
Het andere gevolg wordt binnen de postmoderne filosofie ook herbekeken: het statuut van de waargenomen dingen wordt enerzijds – nog steeds in de lijn van Kant - niet langer begrepen als het statuut van een ding op zich, als iets dat los van onze waarneming ervan zelf de grond van diens waargenomen eigenschappen in zich heeft. Een ding is binnen de postmoderne filosofie, dankzij Kant, vooreerst : een fenomeen. Anderzijds echter, - anders dan Kant - wordt het statuut van een ding begrepen als het resultaat van contingente ordeningen door transsubjectieve ordeningsprincipes werkzaam in onze culturele traditie(s).
Wat een ding is - de vraag naar diens statuut als zijnde- , is een typisch filosofische vraagstelling. Laten we met deze bril en de net beschreven postmodernisering van de Kantiaanse verklaring van ruimte en tijd, eens kijken naar tijd en ruimte als fenomenen die als dingen verschijnen dankzij contingente ordeningen van transsubjectieve ordeningsprincipes werkzaam in onze culturele tradities. Hiervoor letten we vooral op symbolische draagkracht en de globale relateerbaarheid met de concepten van tijd en ruimte. Enkele dingen springen meteen in het oog: de klok als praktisch tijdsconcept, mobiele technologie (zoals bv. mobiele telefonie en automobielen) als praktisch ruimteconcept. Minstens kan gesteld worden dat de klok moeilijk weg kan denken bij het inbeelden van zoiets als tijd. Net zoals men het lastig krijgt om zonder een beeld van vervoer of communicatie over een afstand over zoiets na te denken als ruimte.
Beide genoemde dingen kunnen bovendien zonder veel moeite verbonden worden met een ander ding. Dit andere ding functioneert in bepaalde zin als een schakeling van ordeningsprincipes werkzaam in onze culturele traditities. Ik heb het over de agenda, waarmee ondermeer vergaderingen worden ingepland. Dankzij en ondanks een agenda moet men immers de klok in het oog houden (time- management!), anderen van op een afstand telefonisch op de hoogte houden of minstens op tijd tijd komen bij een meeting. Zodoende hebben we een verzameling van dingen die geordend worden door een bepaald ding.
Laten we even veronderstellen dat men aan de hand van deze verzameling op globale wijze kan nadenken over de concepten van tijd en ruimte. Zodoende kunnen we dan kijken naar het tweede postmoderne aspect van de status van dingen, namelijk: hun symbolische draagkracht. Wat is een mogelijke symbolische functie van de klok en mobiele technologie ten aanzien van tijd en ruimte? Een mogelijk antwoord vinden we in het artikel ‘Tijd en ruimte in de technische wereld’ uit 1992 van Samuel Ijsseling (Ethische perspectieven 3 (1993)2).
De klok als symbool voor de tijdsbeleving: “In de technische wereld gaat de mens op een uitermate rationele, dit wil zeggen efficiënte, economische en eenvormige wijze om met de tijd en deze wijze van omgaan behoort tot het wezen van de techniek. Drie dingen zijn daarin bijzonder opvallend: ten eerste, het overwinnen van de traagheid en het voortdurende pogen tijd te winnen en tijd te sparen. Ten tweede, de noodzaak de tijd zo nauwkeurig mogelijk te meten en vast te stellen, en ten derde, het zich strikt houden aan de vastgestelde tijd en de universeel aanvaarde tijdmaat en tijdsindeling, waartoe ook behoort het gebruik maken van eenzelfde kalender, eenzelfde indeling van het jaar, de maand, de week en de dagen en het uur. Voor de drie zojuist genoemde aspecten, is de klok een wezenlijk instrument, misschien wel het meest wezenlijke instrument van de technische wereld.”p.73
Mobiele technologie als symbool voor de ruimtebeleving: “Wanneer het hoogste ideaal is, ergens zo vlug mogelijk te zijn om dan weer zo vlug mogelijk terug te keren, heeft het dan nog zin om te vertrekken? En wanneer berichtgeving, bij voorbeeld de beursberichten,het nieuws of welke informatie ook, zo snel mogelijk, en dat betekent in dit geval onmiddellijk,altijd en overal verspreid wordt, verliest deze berichtgeving haar betekenis. Snelheid heeft klaarblijkelijk slechts zin tegen een achtergrond van traagheid, zoals informatie slechts zin heeft tegen een horizon van onwetendheid. Vanwege de overwinning van de traagheid en het toenemende vermogen een grote snelheid te ontwikkelen, is ook de verhouding tot de ruimte een andere geworden. Van oudsher is de ruimte waarin de mens zijn bestaan voltrekt, begrepen vanuit de afstand die je binnen een bepaalde tijdspanne met je lichaam kunt afleggen. Ver is datgene waar veel tijd, en dichtbij waar weinig tijd voor nodig is om er te komen. Door de enorme snelheid die ontwikkeld kan worden, zijn de afstanden ineengeschrompeld en raakt wat ons het meest nabij is steeds verder verwijderd. De aarde is klein geworden, overzichtelijk en overal bereikbaar, het kleine en geringe daarentegen ontoegankelijk.”(p. 73-74)
Daar waar Ijsseling mijn inziens een redelijk overtuigende analyse geeft van de symbolische functie van de klok ten aanzien van de concepten van tijd en ruimte, blijft hij wat in het ongewisse inzake het ding dat “een wezenlijk instrument” zou zijn in het geval van het concept ruimte. Zelf stel ik voor – in de lijn van Ijsseling’s argumentatie – om een welbepaald ding als wezenlijk instrument te zien van de manipulatie van de snelheid om afstanden te overbruggen. Dit ding is de GPS-technologie. Ik schuif dit ding naar voren omdat de functie van GPS-technologie niet meteen gericht is op het overbruggen van afstanden (daar is de automobilie- en communicatiesector voor geschikt), maar voornamelijk gebruikt wordt om de snelheid van de overbrugging te verhogen dankzij een betere orientatie.
Ook Pascal Smets, minister, lijkt eenzelfde symbolische invulling te geven van GPS-technologie, met de nadruk op oriëntatie, echter ditmaal in het kader van een pedagogische overbrugging van de afstand tussen jongeren en hun eindbestemming: “Onze universiteiten en hogescholen moeten politici, leerkrachten, journalisten, wetenschappers, ingenieurs en kunstenaars vormen die voor de jongeren van morgen een soort gps zijn, die hun startpositie mee bepalen, en hen begeleiden in het zelf zoeken van hun eindbestemming.” DM 4/10
Hieruit volgen twee eindvragen:
1) is de metafoor van de gps als pedagogische orientatie slechts verstaanbaar omwille van diens inbedding in een technische wereld? En zoja, sluit deze andere mogelijke ordeningen uit waarbinnen zoiets als ‘onderwijs’ betekenis kan krijgen?
2) indien Ijsseling gelijk heeft dat tijd en ruimte in een technische wereld anders beleefd worden, zoals men kan omschrijven aan de hand van de symbolische functie van de klok en mobiele technologie (gps), en indien bovenstaande metafoor doordrenkt is van technicisme, is Ijsseling’s visie op onderwijs dan de enige?
Ijsseling: “Onderwijs is in een technische wereld niet langer allereerst een zaak van het meedelen en verwerven van kennis en nog minder het samen zoeken naar waarheid, maar een effectief systeem dat gericht is op aanpassing en uniformiteit, die noodzakelijk zijn voor het goed functioneren in de samenleving.” p.72
PS: Zoals steeds worden zinnige commentaren opgenomen of behandeld in de lezing. Zeker welkom om 13u30 op 31 oktober in het gebouw van Techniek, Bestuur, en Management (TBM ) op de campus van de Technische Universiteit Delft in Nederland. Meer info, zie: http://tbm.tudelft.nl/nl/over- faculteit/afdelingen/values-and-technology/sectie- fil/events/filosofiedag-2011/
En tenslotte, last but not least: U kan antwoorden op bovenstaande dubbele vraagstelling op volgende wijze: via een dubbele stemming ter ere van Hume’s disociatie van IS / OUGHT:
Wie vindt dat het onderwijs IS in de zin van Smets en wie in de zin van Ijsseling: … …
Wie vindt dat het onderwijs ZOU MOETEN ZIJN zoals bij Smets en wie zoals bij Ijsseling: … …
En zo bent u terug bij Kant :)
Met vriendelijke groet,
De Neo-Cynicus
Andreas Lauwers




Reacties (1)
"omdat de functie van GPS-technologie niet meteen gericht is op het overbruggen van afstanden (daar is de automobilie- en communicatiesector voor geschikt), maar voornamelijk gebruikt wordt om de snelheid van de overbrugging te verhogen dankzij een betere orientatie."
Dat is een beetje een vreemde draai en ook wel een veralgemening. Een vreemde draai, omdat de meeste mensen die ik ken een gps gebruiken om niet verloren te rijden of te lopen. En omdat een gps nu eenmaal gemakkelijker te gebruiken valt dan een kaart. En ook omdat richtingaanwijzingen op Vlaandrens wegen wanhopig slecht kunnen zijn. Niet verloren rijden doet je natuurlijk tijd winnen, maar ik weet niet of die tijdswinst an sich het hoofdmotief is om een gps te gebruiken.
Dat een gps gebruikt wordt om sneller ter plaatse te zijn is ook een veralgemening. Een fiets-gps wordt bijvoorbeeld wel eens gebruikt omdat hij alle leuke fietsweggetjes in de omgeving in zijn geheugen heeft zitten. Heel spannend om te fietsen, maar die weggetjes kunnen een rit van het hellend vlak van Ronquières naar Leuven wel dubbel zo lang maken. Mensen gebruiken gps ook om wandeltochten uit te zetten in de Ardennen of in het Turkse Taurusgebergte, en om vervolgens deze tochten te lopen (en om vervolgens te ontdekken dat de gps geen signaal van de hemelen ontvangt in een diepe rotskloof in het Taurusgebergte, waardoor de wandelaars in kwestie toch verloren lopen en moeten teruggrijpen naar kaart, kompas, intuïtie en een beetje geluk).
Daarnaast wil ik nog even aanstippen dat iedereen - iedereen! - die een nieuwe gps koopt met blozende kaken tegen me zegt: "En hij vertelt me op voorhand waar de flitspalen staan!"
En voor ik het vergeet: gps worden ook gebruikt in antidiefstalsystemen, bijvoorbeeld in zwaar rollend materieel in de bouwsector. En onlangs is (voor zover ik het begrijp) het gps-systeem gebruikt voor een ophefmakend natuurkundig experiment dat sneller-dan-licht neutrino's zou ontdekt hebben.
Om maar te zeggen dat een gps veel betekenissen heeft.
Op je twee finale vragen kan ik natuurlijk niet antwoorden. Die quote van P. Smet lijkt me voor een qoute van P. Smet nog redelijk onschadelijk te zijn. Wat mij betreft mag het hoger onderwijs kunstenaar-, wetenschapper- en journalist-gps vormen, maar het mag toch ook niet vergeten om jongeren te leren om van het "ding an sich" te houden: wiskunde, fysica etc., ja zelfs filosofie. Allemaal fijn, zo'n Richard Feynman of een Albert Einstein die een baken zijn, maar wie niet van fysica an sich leert houden, die schiet er geen klap mee op.
(Wat me doet denken aan die onsterfelijke quote uit "A Serious Man" van de gebroeders Coen. Zegt een fysicastudent tegen zijn prof na een slecht examen: "I understand all the stories, it's just the mathematics that is difficult.")
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:44