Over fenomenologie... en Tsjechië

In de blog: De Neo-Cynicus reacties: 0 pdf print

Over fenomenologie ... en Tsjechië

Fenomenologie

Fenomenologie is de studie der fenomenen. Fenomenen hebben de vorm van subjectieve ervaringen. Kenmerkend voor deze ervaringen is het subjectieve feit dat ze altijd over iets _gaan, dat wil zeggen, ze zijn altijd ervaringen van iets, _van een object.

Fenomenologie is daarom in dubbele zin ervaringsgericht: ze is enerzijds als studie gericht op subjectieve ervaringen en anderzijds bestudeert ze die ervaringen vanuit de visie dat subjectieve ervaringen altijd gericht zijn op een object. Laatstgenoemde visie vindt men terug in de term ‘intentionaliteit van het bewustzijn’ van _founding father _Edmund Husserl.

Het bewustzijn, aldus Husserl, is wat het is wanneer het bewust is van iets, dat wil zeggen, bewust van een object - of een betekenis die verwijst naar dat object. In de lijn van het denken van Martin Heidegger, een leerling van Husserl, kan men het nog beter verwoorden: het zelfstandig naamwoord ‘bewustzijn’ is een statische substantivering van een dynamische vervoeging van het reflexieve werkwoord met lijdend voorwerp ‘zich bewust zijn van iets’. Het is dankzij deze verwoording (in existentialistische termen weliswaar) dat een genuanceerde benadering mogelijk werd van Husserl’s notie van het ‘intentioneel bewustzijn’.

Taalkritiek

Ook is er kritiek ontstaan op de fenomenologie. Indirect ontstond die reeds bij Jacques Lacan. De intentionaliteit van het bewustzijn, zoals omschreven door Husserl, zou geen eigenschap zijn van het bewustzijn, maar zou een effect zijn van de taal. De taal bestaat immers, aldus Lacan, bij gratie van een verwijzingsrelatie. Zij bestaat uit taaltekens, verwijzers, betekenissen die verwijzen naar een object.

Ongeacht dat men volgens Husserl nog bewust kan zijn van een object, althans via een subjectieve ervaring, lijkt Lacan aan te geven dat men slechts bewust kan zijn van een betekenis. Een betekenis die bovendien nooit meer doorverwijst naar het uiteindelijke object, maar steeds opnieuw verwijst naar een betekenis. Het is dit betekenisuitstel dat zich laat voelen in Husserl’s denken over de betekenis van het bewustzijn. Dit is een kritiek die uiteindelijk verwijst naar de wijze waarop het denken onlosmakelijk verankerd zou zijn in de taal.

Derrida bekritiseert de fenomenologie op een gelijkaardige wijze, maar explicieter en genuanceerder dan Lacan. Lacan reduceert het onderscheid tussen objecten en betekenissen tot de alleenheerschappij van betekenissen (of in zijn termen: betekenaars). Bij Derrida blijft er nog iets overeind van dit onderscheid. Derrida vindt, tersluiks overigens, in de geschreven taal de objecten terug waarnaartoe de betekenissen in de gesproken taal verwijzen. Die objecten zijn echter ook nog steeds louter betekenisuitstellende taaltekens, maar dan wel taaltekens die ingeschreven zijn in de schriftuur, de geschreven taal. Zodoende krijgen de schriftelijke betekenissen – ondanks hun uitstelgedrag – toch tijdelijk de schijn van objecten dankzij hun tekstualiteit.

Teksten verschijnen - ik forceer wat - volgens Derrida ten opzichte van de gesproken taal als betekenissen die zich objectief gedragen, terwijl zij ten opzichte van de fenomenologie verschijnen als een tussenstadium voor de ervaring van het object zelf waarnaar zij tekstueel verwijzen. Laatstgenoemde verschijningsvorm kan, aldus Derrida, gereduceerd worden tot de eerste verschijningsvorm. Kortom, de fenomenologie als de studie van subjectieve ervaringen verwijst vooreerst naar de studie van taalfeiten, aldus Lacan en Derrida.

Na Lacan en Derrida zou blijken dat er zonder erkenning van de verwijzingsrelatie werkzaam in de taal, geen sprake kan zijn van de intentionaliteit van het bewustzijn. En zonder taal geen bewustzijn. Daarbij sneuvelt ondertussen de notie van de uiteindelijke verwijzing naar het object zelf. Noch in de gesproken taal, noch - maar schijnbaar wel - in de geschreven taal, overleeft deze notie van objectiviteit. Er zijn alleen maar doorverwijzende taaltekens, zowel in de spraak als in het schrift. Het schrift is echter iets duurzamer: ze kan de schijn van definitieve objectiviteit opwekken ondanks haar bestaan als verwijzingsrelatie. Het is volgens Derrida dezelfde schijn die Husserl deed geloven in zoiets als een uiteindelijk object dat gegeven is in subjectieve ervaringen. Bovendien voltrok die begoocheling zich in een denken dat zich niet bewust was van diens verankering in de taal. Fenomenen bleken zo de plaats waar de schijn van definitieve objectiviteit plaatsvindt en de gelijktijdige camouflage van de taaltekens als objecten zich voltrekt.

Er is zodoende telkens een dubbele beweging aan het werk binnen het fenomeen. Aan de éne kant verschijnt er een definitieve objectiviteit die aan de subjectieve ervaring een zekerheid verleent van waarheid en geldigheid. Aan de andere kant verdwijnt er een duiding van de talige dragers van die objectiviteit die elke einde van het betekenisuitstel onzeker maakt.

De dubbele beweging werkzaam in het fenomeen

De discussie tussen de fenomenologie en diens critici kreeg ook enkele bedenkingen. Deze stoelen op verschillende interpretaties van de wijze waarop het fenomeen verschijnt. Een conclusie die volgt uit de discussie luidt als volgt: met de verschijning van een definitieve objectiviteit verdwijnt een talig betekenisuitstel. Dat is immers de les die men volgens Derrida uit Husserl’s denken kan trekken. Hieruit volgt echter ook dat men deze les niet kan transformeren. Ze is niet simpelweg een kwestie van een omgekeerd evenredige relatie tussen de relata ‘objectiviteit’ en ‘taligheid’.

Indien men zulk een relatie immers omkeert door het talig betekenisuitstel te doen verschijnen en de definitieve objectiviteit daarmee zogezegd te doen verdwijnen, dan lijkt men opnieuw terug te keren tot de vorige verhouding. Wil iets verschijnen, in dit geval ‘talig betekenisuitstel’, dan veronderstelt dit opnieuw een vorm van definitieve objectiviteit omtrent het taalteken ‘talig betekenisuitstel’. Er kan met andere woorden niets anders verschijnen dan een ‘definitieve objectiviteit’ op de achtergrond van een afwezig ‘talig betekenisuitstel’ van wat verschijnt.

Wanneer er iets verschijnt, dan telkens omdat er iets niet verschenen is. Geen iets zonder niets. Geen einde zonder afwezigheid van de toevoeging – een toevoeging die de definitieve objectiviteit van het fenomeen uitstelt tot meerdere betekenissen. Foucault en Luhmann hebben op eigenzinnige wijze deze dubbele beweging in het fenomeen toegepast binnen verschillende contexten. Ook hebben ze hierbij de bedenking gemaakt dat de ommekeer van de relatie tussen de verschijnende ‘objectiviteit’ en de verdwijnende ‘taligheid’ noodzakelijk leidt tot dezelfde relatie. Wil het talig betekenisuitstel verschijnen, dan slechts als een taalteken met ‘definitieve objectiviteit’ waarvoor - steeds maar even - geen betekenisuitstel geldt.

Foucault (in diens minder interessante 2e periode) werkt dit uit in het fenomeen van de macht. Aan de ene kant is macht reproductief (de definitieve objectiviteit reproduceert zich), aan de andere kant is macht repressief (talig betekenisuitstel wordt onderdrukt). De bedenking dat een ommekeer onmogelijk is, toont zich bij Foucault als volgt: als men zich wil ontrekken aan de onderdrukking door middel van macht, zal men ook gebruik moeten maken van definitieve objectiviteit omtrent diens status als onderdrukte en zodoende onderdrukken wat dat gebruik bedreigt. Alles wat kan doen twijfelen aan de status van de onderdrukte, dat wil zeggen: alles wat opereert als talig betekenisuitstel, moet worden onderdrukt, wat de definitieve objectiviteit van die status ten goede komt.

Luhmann werkt het fenomeen uit binnen de systeemtheorie. Systemen observeren immers bij Luhmann door een onderscheid te maken en door één zijde van dat onderscheid te selecteren en de andere niet. Observeren is pas mogelijk wanneer iets onderscheiden wordt van iets anders dat niet geselecteerd is als hetgeen geobserveerd wordt. Op dezelfde manier functioneert de dubbele beweging werkzaam in het fenomeen. De subjectieve ervaring van iets met een definitieve objectiviteit is pas mogelijk door dat iets te onderscheiden van iets dat niet geobserveerd wordt, dat wil zeggen, het talige karakter van dat iets, wat zou leiden tot betekenisuitstel en niet tot objectivteit. Men kan dit eveneens niet omkeren. Observeert men het talige betekenisuitstel, dan nog is er een defnitieve objectiviteit rondom het feit dat men dit - met name ‘talig betekenisuitstel’ - observeert en niet iets anders. De zekerheid omtrent laatstgenoemde observatie wordt zelf niet aangetast door hetgeen geobserveerd wordt.

Tot zover deze wat kinderlijke beschrijving van het pad van de fenomenologie dat uw aandacht trekt. Dit is immers een zeer oppervlakkige duiding van de conclusie uit de discussie tussen de fenomenologie en diens critici. Ik ben hier helemaal niet dieper, fijnzinniger, onderbouwder, overtuigender en kritischer mee bezig. Ik bereid hoegenaamd geen studie voor van Foucault (in diens 3e periode) en diens zorg voor het zelf in gadameriaans verband met Jan Patocka’s aandacht voor de zorg voor de ziel (diezelfde Patochka die Husserl uit de handen van nazi-academici – ik zwijg over Heidegger – probeerde te emigreren naar - toen nog – Tsjechoslovakije en diezelfde Patochka die Havel onderwees). Wat ik wel doe, is op 27 juli vertrekken naar Tsjechië, op weg naar Prostějov, geboorteplaats van Edmund Husserl. Ook ga ik een bezoekje brengen aan de Karoliner Universiteit van Praag om te checken waar die befaamde Praaglezingen over de crisis van Europa en diens wetenschappen plaatsvonden. Het graf van Bolzano en Kafka mogen we natuurlijk ook niet missen, net zoals een kijkje op de werkplaats van Ernest Mach en de kasteelwoningen van ons aller alchemisten. En natuurlijk, last but not least, een nachtje doorbrengen in de cel waar Vaclav Havel zijn fenomenologisch geïnspireerde politieke filosofie, laten we maar zeggen, subjectief ervoer. Havel onderging met weerzin de splitsing van zijn land. Rara, waar zullen we dat misschien nog gehoord hebben?

Suggestie en luiheid, beste mensen, gaan hand in hand.

Tot dra?

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus


Tags
geen tags

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie