Twee breuklijnen en vier fenomenen...

In de blog: De Neo-Cynicus reacties: 2 pdf print

Dit artikel is een afgeleide samenvatting van een lezing die ik zal geven op 10 november te Nijmegen tijdens de 32e Vlaams-Nederlandse Filosofiedag. Afkraken of ophemelen, u beslist. Tot dan!

Dit artikel is een afgeleide samenvatting van een lezing die ik zal geven op 10 november te Nijmegen tijdens de 32e Vlaams-Nederlandse Filosofiedag. Het motief van dit artikel volgt 2 specifieke breuklijnen doorheen het thema van de nutsdefinitie van filosofie. Beargumenteerd wordt dat beide breuklijnen een kader bieden om 4 huidige filosofiefenomenen te plaatsen. Wat die filosofiefenomenen juist inhouden, kan je onderaan alvast formeel geschetst zien. Voor meer inhoudelijke duiding, u weze zeer welgekomen op de lezing te Nijmegen!

  1. Inleiding: eerst de ver-taal-ing, dan de wie-vraag

Waar is filosofie eigenlijk goed voor? Om die vraag te stellen, dient men te weten wat ermee bedoeld wordt: wat is filosofie? Zoals u allen weet, is het moeilijk hier een éénduidig antwoord op te vinden. Daarom kaderen we eerst dit definitieprobleem, alvorens ons te richten op een nutsdefinitie van filosofie.

Eén van de actuele uitwegen is dit probleem van de definitie van filosofie (terug?) te plaatsen in de praktische context van het spreken, schrijven en lezen over filosofie. Dus niet: “Wat is dat ding, genaamd filosofie?”, maar wel: “Waar, wanneer en door wie wordt er over dit woord gesproken, geschreven en gelezen?” (een her-plaatsing in de lijn van S. Ijsseling’s taalopvatting).

De ver-taal-ing

Laten we deze ver-taal-ing van het definitieprobleem illustreren aan de hand van een zeer concreet voorbeeld uit het verleden. Herinner, in plaats van ‘wat is filosofie?’, vragen we naar ‘waar’, ‘wanneer’ en ‘door wie’ wordt er over dit woord ‘filosofie’ gesproken, geschreven en gelezen. Een mogelijk antwoord is: hier, nu en door ons, op deze 32e Filosofiedag. Minstens moet men immers toch kunnen zeggen dat men op zo’n Filosofiedag bezig is met het praten, schrijven en lezen over zoiets als ‘filosofie’, wat het ook moge zijn?

Nemen we het thema van vorig jaar, de 31e Filosofiedag in Tilburg. Het thema betrof toen de relatie tussen de analytische en de contintentale traditie. Ook toen waren sommigen ergens bezig met het praten, schrijven en lezen over het woord ‘filosofie’. Kortom, het lijkt niet zo moeilijk om deelvragen omtrent het woord ‘filosofie’ te beantwoorden en zodoende te komen tot een spatiotemporele localisatie van het mondeling en/of schriftelijk bezig zijn met het woord ‘filosofie’.

De wie-vraag

Nuance: iets minder makkelijk dan de waar-vraag of de wanneer-vraag is echter de wie-vraag: wie is er bezig met het praten, schrijven en lezen over ‘filosofie’? Opnieuw putten we inspiratie uit de vorige Filosofiedag. Zoals gezegd betrof het thema toen de relatie tussen de analytische en de contintentale traditie. Ik ga hier kort op in om een voorbeeld te geven van de veronderstellingen die gepaard gaan met de wie-vraag inzake het gepraat, geschrijf en gelees over het woord ‘filosofie’.

Er zijn, zoals u waarschijnlijk weet, talloze insteken om de hedendaagse distinctie tussen analytische en continentale wijsbegeerte (DAC) te thematiseren. Meestal volgt de onderscheiding van beide tradities volgend pad: prima facie lijken ‘analytici’ te filosoferen op een angelsaksische, nuchtere en wetenschappelijke manier. Evenzo lijken ‘continentalen’ te filosoferen op een Europese-exotische, minder nuchtere en spirituele manier. U heeft dit allen waarschijnlijk al 1000 keer moeten aanhoren of bent zelfs zelf aanhanger van 1 van beide tradities of 1 van diens gemengde stromingen. Is er iemand in de zaal die nog nooit over DAC gehoord heeft?

Dit naïeve gezichtspunt is echter niet zo onschuldig. Het veronderstelt immers al heel wat over de wie-vraag. Vooreerst veronderstelt het feit - dat iedereen weet waarover ik het heb - minstens een hedendaagse inleiding tot de wijsbegeerte die aan de hand van DAC een universitair studiedomein thematiseert bij academici. Vraagt men immers een mens op straat naar DAC, dan is het zeer onwaarschijnlijk dat velen ervan op de hoogte zijn, laat staan er zich iets van aantrekken. Bijgevolg lijkt het zo dat er geen mens op straat wakker ligt van DAC, terwijl het toch op een Filosofiedag wordt aangeduid als dé karakteristieke eigenschap van de huidige filosofie.


1. Eerste breuklijn: het academische en/of niet-academische __karakter van filosofie

De huidige filosofie zou gekarakteriseerd zijn door iets waar blijkbaar sommigen meer van af weten en sommigen niets. Onwetenden zijn meestal wel op de hoogte van zoiets als ‘filosofie’ (“Dat is toch veel denken, hé?”), maar niet van diens huidige stand van zaken. Voor die huidige stand van zaken kan je blijkbaar bij academici terecht, die je bv. op een Filosofiedag kunnen inlichten dankzij gepraat, geschrijf en gelees over het woord ‘filosofie’.

Het lijkt er immers op dat, als men al op de hoogte is van zoiets als ‘filosofie’, het blijkbaar niet de huidige versie is van ‘filosofie’, aangezien geen kat op straat bezig lijkt met het huidige onderscheid tussen analytische en contintentale wijsbegeerte en men die huidige versie lijkt te kunnen vinden bij pratende, schrijvende en lezende academici, getuige de vorige Filosofiedag. Niet-academici lijken in dit opzicht kortom niet bezig te zijn met de huidige filosofie. Academici wel.

  1. Tweede breuklijn: het private en/of publieke karakter van filosofie

Tot zover de eerste breuklijn die voortkomt uit de spanning tussen het academische en/of niet-academische karakter van filosofie. De tweede breuklijn betreft het verschil tussen het private en/of publieke karakter van filosofie. Volgens R. Visker – die zich weer baseert op Foucault en Arendt - heersen er in onze samenleving grosso modo minstens twee manieren om de relatie tussen het private en het publieke te denken. Ik herneem zijn stelling in het kader van van de verschillende wijzen van filosoferen, zoals Gadamer heeft ontwikkeld in verschillende essays aangaande de speldynamiek van het filosoferen.

Private filosofie:

Filosoferen kan men definiëren als een handeling waarbij voorafgaande filosofische privé-gedachten publiek worden gemaakt door middel van communicatie (bv. mondeling of schriftelijk). De filosofische gedachten zijn met andere woorden nog niet vertaald en bestaan op een niet-talige manier in de geest van de filosoof. Er rest de filosoof enkel de opdracht deze welgevormde ideeën om te zetten in een talige vorm en deze dusdanig publiek toegankelijk te maken voor anderen dankzij gesprekken of boeken. De verhouding tussen het private en het publieke wordt hierbij begrepen als een perfecte re- presentatie van hetgeen privé leefde in de geest van de filosoof en dankzij de talige verwoording een publieke tegenwoordigheid krijgt. Er is geen verschil tussen idee en verwoording van die idee; tussen de private idee en diens publicatie. Taal representeert perfect de ideeënwereld van de filosoof.

Publieke filosofie:

Filosoferen kan men ook definiëren op een andere manier. Abstract: filosoferen kan men zien als een handeling die vorm geeft aan iets dat zonder die vervorming vormloos zou gebleven zijn. Concreet voorbeeld: door het aangaan van een filosofisch gesprek komt men op ideeeën die nieuw zijn en nog niet bestonden voorafgaand aan een filosofisch gesprek. Het opent nieuwe perspectieven, andere denkwijzen, kortom: nieuwe informatie. Taal representeert in deze opvatting zeker niet perfect de ideeënwereld van de filosoof. In plaats van dat men voorafgaand aan de verwoording reeds welgevormde filosofische ideeën in de geest van filosoof zou vinden, vindt men veeleer vervormingen, verwoordingen die nooit exact aangeven wat er net bedoeld wordt, het is steeds niet helemaal juist of helemaal fout geformuleerd, net omdat men niet op zoek is naar de beste verwoording van een reeds bestaand niet-verwoord idee, maar omdat men simpelweg op zoek is naar iets wat men nog moet tegenkomen: een nieuw inzicht, een onvoorziene insteek, een re-fresh van de eigen kennis. Elke verwoording is steeds een vervorming, maar een vervorming die structuur geeft aan iets wat anders nooit zou ontstaan zijn. De verwoording zelf schept de aanwezigheid van de betekenis ervan in het heden.

Bv. Hiphop

Een handig voorbeeld stamt voort uit de hiphopwereld. Zo heb je aan de ene kant rappers die hele teksten rijmend zingen uit hun geheugen op een bepaald ritme. Echter, er is een bepaald ritme dat hun woorden beter doet uitkomen dan andere ritmes. Het juiste ritme maakt dat de woorden, opgerakeld uit hun geheugen, mooi op hun plaats vallen. Dit is een illustratie van het privaat karakter van filosoferen.

Aan de andere kant heb je ook hiphoppers die freestylen. Zij hebben geen voorafgaandelijke tekst ingeprent die ze dan uitbrengen op een bepaald ritme. Zij kunnen simpelweg elementen opnemen uit hun omgeving en hierover non-stop rijmen, onafhankelijk van het ritme. Dit is een illustratie van het publieke karakter van filosoferen.

Kortom, filosoferen met een privatief karakter impliceert een denken waarbij correcte communicatie vereist is om de correcte boodschap te ontcijferen. Filosoferen met een publiek karakter impliceert een verwoording waarbij de betekenisgeving niet verondersteld is. Men ontdekt in de communicatie de betekenis ervan.

  1. 4 filosofiefenomenen

Voor alle duidelijkheid hernemen we zeer kort beide breuklijnen:

De eerste breuklijn komt voort uit de spanning tussen het academische en/of niet-academische karakter van filosofie. Het academische karakter van filosofie kan men vinden in het praten, schrijven en lezen over het woord ‘filosofie’ door academici aan de hand van de huidige stand van filosofische zaken (bv. het onderscheid tussen analytische en continentale wijsbegeerte). Het niet-academische karakter van filosofie kan men vinden in het praten, schrijven en lezen over het ‘woord’ filosofie door niet-academici.

De tweede breuklijn komt voort uit het private en/of publieke karakter van filosofie. Het private karakter van filosofie kan men vinden in het filosoferen als uitdrukking van een voorafgaande private betekenisgeving van gebruikte terminologie (bv. de rapper). Het publieke karakter van filosofie kan men vinden in het filosoferen als schepping van nieuwe informatie door een publieke betekenisgeving van de gebruikte terminologie (bv. de freestyler).

In de combinatie van beide breuklijnen krijgen 4 huidige filosofiefenomenen interpretatieve waarde (zie onder):

'FILOSOFIE' Academische Niet-academische

Private....................Levenskunst.............Parafilosofie

Publieke................Ervaringsgericht.......Filosofisch Café

[...]

Tot zover deze teaser, tot dan!

MVG,

De Neo-Cynicus

Andreas Lauwers


Tags
geen tags

Reacties (2)

Zoals steeds ben ik niet te beroerd om mijn onwetendheid toe te geven en ook niet om vervolgens toch mijn mening te geven.

Ik koester het vooroordeel dat bezigheden - in het bijzonder academische bezigheden - die zich waarlijk buigen over de vraag "hoe kunnen wij onze bezigheid definiëren" over het algemeen niet veel interessants te vertellen hebben.

Niet dat die vraag "hoe kunnen wij onze bezigheden definiëren" irrelevant is. Daarover straks meer. Maar wel omdat die vraag zéér laag op het prioriteitenlijstje staat van interessante bezigheden (IB). IB hebben zoveel interessante problemen die van zichzelf interessant zijn, dat er geen tijd over blijft voor de vraag "Hee jongens & meisjes, wat doen we nu eigenlijk?"

Was Ernest Rutherford nu een scheikundige of een fysicus? (Hij kreeg een Nobelprijs scheikunde, maar fysici beschouwen hem als een van hen.) Daar kun je een hele boom over opzetten - wat is dat nu, scheikunde en fysica? - maar die boom is oninteressant vergeleken met zijn ontdekkingen.

Ik ben zelf een fysicus maar ik zou niet weten wat fysica is en het interesseert me ook geen lor. Fysica is, tot nader order, overwegend een IB.

Maar ooit moest ik om een universitair getuigschrift te halen een tekst van Mieke Bal lezen. Het was iets semiotisch en het ging over Rembrandt. Als ik me niet vergis - het is alweer lang geleden - begon ze die tekst met uit te leggen wat zij vond dat semiotiek was. Ik dacht "Oei!" en inderdaad, over Rembrandt stond in die tekst niets wat het onthouden waard was.
(Ik heb wel iets geleerd over semiotiek, maar wat ik geleerd heb, was enigszins in tegenspraak met de intentie van de tekst, vermoed ik.)

Kortom: IB zijn niet bezig met de vraag "hoe zijn we gedefinieerd?"

En nu waarom die vraag wat filosofie is, en wiskunde en fysica en schrijnwerkerij, toch relevant is. Ik vermoed dat je de academische wereld veel beter kent dan ik. Er moet geld verdeeld worden, de fondsen zijn schaars, etc. Dan is het handig als je kunt zeggen: "Maar de faculteit filosofie krijgt te weinig!" Of "Alweer een bewijs dat scheikunde bevoordeeld wordt ten opzichte van fysica! De volgende hoogleraar is voor fysica, en daarmee uit." En dan moet je natuurlijk haarfijn kunnen uitleggen waarom fysica verschillend is van scheikunde, etc.

Ook retorisch zijn zulke definities nuttig. "Ach, een continentale filosoof", zei hij schouderophalend. Of "Een analytisch filosoof over kunst? Weer een madam die het verschil niet ziet tussen Piet Pienter & Bert Bibber en Rembrandt!"


---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:37
   

Net toevallig mijn eigen geschriften hierboven weer tegengekomen. Vergeet het, het was niet mijn beste dag.


---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:37
   

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie