3. Over de publieke monumentalisering van het verschil tussen mens en dier
Over de publieke monumentalisering van het verschil tussen mens en dier.
Wat zou filosofie zijn zonder onbegrijpelijke, uitdagende artikeltitels?
Voor de vlotte lezers en voor nieuwe passanten: zoals beloofd volgt mijn slotpleidooi inzake een voornoemde analyse in termen van het verschil tussen expressivisme en symbolisatie van een wil-tot-kennis-van-identiteit die geïncarneerd is in geïnstitutioneerde betekenisdragers (zie hiervoor: http://reksividur.filosofie.be/index.php?/archives/71-Discussies-over- identiteit.-Een-niet-argumentatieve-analyse.html).
Wat kan Heidegger van Gadamer leren?
De mens is een spelend wezen. Tevens is de mens een sterfelijk wezen. Beide wezensbepalingen van de menselijke soort lijken op het eerste zich niet zo spectaculair. Graaft men wat dieper in de geschiedenis van de filosofie, dan ontdekt men evenwel dat beide eerstgenoemde stellingen verbonden kunnen worden aan twee spectaculaire denkers. Twee denkers die bovendien in een meester- leerling-verhouding worden gearchiveerd door de geschiedenisboeken: Gadamer en Heidegger. Let wel: niet Heidegger was de leerling van Gadamer, maar omgekeerd. Echter, er is een welbepaalde, inhoudelijke, reden om beide denkers te vermelden in deze volgorde. Heidegger modelleerde immers een menselijkheid gedacht aan de hand van diens fundamentele eigenheid van sterfelijkheid, d.w.z, tijdelijkheid. Gadamer daarentegen dacht veeleer in de richting van het spel als fundamenteel dynamisch kader waarbinnen zoiets als menselijkheid kan verschijnen. Zoals we zullen zien conflicteren deze bepalingen met elkaar en wel op een specifiek snijpunt: de verhouding tussen mens en dier.
Een radicaal getemporaliseerd denkkader sinds Heidegger
Heidegger meent dat enkel mensen sterven, en dieren verrekken. Hij stelt dus een verschil in tussen mens en dier. Gadamer meent aan de andere kant dat zowel mensen als dieren spelen. Hij stelt dus met zijn wezensbepaling een gelijkenis in tussen mens en dier. Het verschil tussen mens en dier treedt bij Gadamer's hermeneutische analyse van Heidegger's denken pas aan de oppervlakte op het niveau van de taal: mensen zijn taalspelers en dieren niet. Zodoende bracht Gadamer Heidegger's denken binnen in een denkkader dat fundamenteel gekarakteriseerd is door de linguistische wende, waarbij de werkelijkheid van de taal sterk bepalend wordt geacht voor de werkelijkheidsbepaling van de mens in al diens hoedanigheden. Een andere denker die overigens eenzelfde beweging voltrok was Lacan. Met de duiding van de 'continue vloeiende keten van betekenaars' als een onmenselijk taalwezen behoort Lacan (samen met Luhmann, Foucault en Derrida) tot één van de eersten die grondig heideggeriaans nadachten over de invloed van communicatie, d.w.z: binnen een radicaal getemporaliseerd kader.
Gadamer desubjectiveert Heidegger
Zulk een kader wordt ondermeer sinds Heidegger veel gebruikt en impliceert dat alle elementen en tevens de bepaling van elementen als elementen door het kader onderhevig zijn aan een tijdelijk stollen en ontdooien van elementaire distincties binnen een omgeving. Men zou kunnen zeggen dat binnen het existentialistische kader van Heidegger zulke elementen gedacht werden als 'existentïele keuzes', waarbij omwille van de beslissing moet rekening worden gehouden met een met tijdelijkheid doordrenkt levenskader. Binnen het hermeneutische kader van Gadamer speelt eenzelfde nadruk op tijdelijkheid, maar anders dan de tijdelijkheid zoals Heidegger die dacht. Gadamer denkt niet zozeer aan de hand van een subjectiviteit die bestaat in het samenhouden van verleden en toekomst aan de hand van actuele keuzes aangaande diens toekomst. Veeleer denkt Gadamer de tijdelijkheid aan de hand van een dynamiek: de dynamiek van het spel. Het zijn spelelementen die radicaal getemporaliseerd worden in het hermeneutische kader van Gadamer. Er is bij Gadamer minder sprake van een stolling en smelting van een welbepaald traject dat zich projecteert naar een mogelijke toekomst. Veel liever heeft hij het over de stolling en smelting van spelen die door spelers gespeeld worden. Zodoende desubjectiveert Gadamer in zekere mate Heidegger's existentialistische kader.
Spelend dier als oxymoron
De dynamiek en de gevolgen van een radicale temporalisering van het denkkader zijn voor Gadamer beter te begrijpen als de werkzaamheid van een spel, dan wel als de werkzaamheid van de menselijke existentie. Wat Heidegger daarom niet kan denken binnen diens existentialistische kader is de notie van 'spelende dieren'. Volgens Gadamer kan men 'spelende' immers vervangen met 'existentiële' á la Heidegger. Bijgevolg blijkt dat ook dieren, als ze spelend zijn, binnen het existentialistisch kader passen. Ondanks dat Heidegger aan de hand van dit kader een onderscheid kadreert tussen mens en dier, passen 'spelende dieren' oxymoronisch als 'existentiële non-existenties' toch binnen het kraam. Kortom, mens en dier kunnen beiden deelnemen aan het spel, aldus Gadamer. Heidegger was op dit vlak overhaast door het reduceren van de dynamiek van het spel tot de existentie van de mens.
Gevolgen voor een hedendaagse contintentale wijsbegeerte
Indien men aan de hand van heideggeriaanse noties een hedendaagse wijsbegeerte opbouwt, zijn Gadamer's opmerkingen relevant inzake een filosofie van mens en dier. Bovendien is de hedendaagste continentale wijsbegeerte gedreven door een sterk verspreid differentiedenken, waarbij verschillen als basiselementen worden genomen voor de analyse van maatschappelijke fenomenen. Enkele van die fenomenen zijn bijvoorbeeld het verschil tussen mijn eigen mening en de ander (subjectivisme), mijn eigen sekse en de ander (seksisme) en mijn eigen ras en de ander (rascisme). In het verleden werd reeds aangegeven hoe een verkeerde omgang met het eerste fenomeen, kan leiden tot een intensivering van de laatste twee genoemde fenomenen (zie: http://reksividur.filosofie.be/index.php?/archives/47-Buiten-het-politiek- incorrecte-kader-denken.html). Therapieën voor seksisme en rascisme verwijzen dus naar een juiste omgang met het subjectivisme.
Omgang met het eigen verschil
Die juiste omgang vinden veronderstelt vooreerst een dubbele gelijktijdige splitsing van een simplistische op zichzelf gesloten subjectiviteit: door om te gaan met het vreemde binnen zichzelf kan men omgaan met het vreemde buiten zichzelf. De intrasubjectiviteit is gelijkoorspronkelijk met de intersubjectiviteit. Het affect dat zich toont bij het omgaan met het vreemde binnen zichzelf is het ongemak. Eenzelfde ongemak dat zich laat voelen met het vreemde buiten zichzelf. Dit affect stelt een oplossing voorop: je kan met ongemak omgaan door het in de publieke ruimte werkzaam te laten zijn. In de publieke ruimte wordt een verschil immers gedeponeerd en gemonumentaliseerd, waarbij de eigen onlust om te moeten leven met een bepaald verschil, tijdelijk kan worden opgeheven.
Het symbool (ge)denkt het verschil
Het symbool neemt de druk over, net zoals een agenda voor ons bezig is met dringende afspraken (het depot denkt voor ons) en een graf voor ons rouwt (het graf gedenkt voor ons) zonder dat we continu overspoeld worden door de druk van de deadline of de emoties van het afscheid in onze dagelijkse bezigheden. Deze publieke functie van bv. een agenda of een graf is evenzo toepasbaar op publieke functies binnen bepaalde
maatschappelijke velden. Zo is een publieke functie die door een vrouw wordt opgenomen (Merkel bv.) een monumentalisering van het verschil tussen man en vrouw: het zuivere feit dát er een vrouw deze functie bekleedt is een gedenking aan de jarenlange strijd voor vrouwelijk kiesrecht. Of nog: de publieke functie van Barack Obama monumentaliseert het verschil tussen blank en zwart als gedenkteken van een jarenlange maatschappelijke rassenongelijkheid.
Monumentalisering van het verschil tussen mens en dier?
De kwestie is nu bij welke maatschappelijke fenomenen er sprake kan zijn van een monumentalisering van het verschil tussen mens en dier? Spelen in de publieke ruimte? Dit lijkt een juiste richtingaanwijzer en zeker een opstapje tot zoiets als een exomologesis-spel in de straten van Leuven en omstreken, dat ondertussen al 3 jaar goed draaiend bestaat en uitgebreid is met één extra zaakvoerder en over het hele Belgische grondgebied :) (check: www.ichallenge.be en natuurlijk uitvoerig: http://reksividur.filosofie.be/index.php?/archives/41-1.-Zou-het- exomologesis-spel-werken.html). De zaken zijn echter complexer dan ze in de praktijk lijken: niet alleen is het de vraag wáár de publieke ruimte zich ergens bevindt (ook in cyberspace?), maar tevens lijken niet-mensen (zoals bv. robotten) zich te manifesteren als mensen en dieren binnen eenzelfde (publieke) 'ruimte' (check: http://reksividur.filosofie.be/index.php?/archives/70-Robotten-in-je- huiskamer.-Een-niet-argumentatieve-analyse.html#extended).
Maar toch, als we ons zouden laten verleiden is de volgende vraag misschien het pertinentst: welke publieke functie leent zich als monumentale gedenksteen van een eeuwenlange globale ecologische onduurzaamheid? Of welk publiek spel?*
*= is het misschien hier te vinden: http://www.ichallenge.be/content.php?hmID=1816&smID=1553&ssmID=3 ? ;)
MVG,
De Neo-Cynicus




Reacties (6)
beste Andreas,
Leuk artikel, al zal dit voor 'niet-viskerianen' een hele klus worden om te begrijpen.
Er schuilt echter in het munumentaliseren van het verschil een gevaar. Men hanteert twee tegenstrijdige opvattingen van zijnswijzen namelijk die van de facticiteit en die van de transcendentie. Dat is een probleem want deze denkwijze verenigt een idee en meteen ook zijn negatie zonder deze te willen opheffen. Het gevaar bestaat dat de manier waarop we op die manier onze identiteit willen bevestigen én het verschil willen bewaren (vb Obama) Men duidt op een wijze van zijn wat men is en op de niet-zijn wat men is en sluit daarbij uit: de zijnswijze van een zijn dat is, wat het niet is en dat niet is, wat het is.
Groetjes,
Dirk
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:36
Mij treft dat 'differentiedenken' op zich als een symbool, en wel van een pijnlijke onmacht. De onmacht om verantwoordelijkheid op te nemen voor 'positieve' formuleringen. Men kan niet zeggen wat het is om Europeaan, blank, vrouw, mens te zijn en beperkt zich tot de mededeling dat men géén Amerikaan, géén vent, géén zwarte en géén dier is. Opvallend ook hoe het in de euthanasiediscussie voor sommige mensen voldoende is om niet dood te zijn om te leven.
Bovendien is dat differentiedenken logisch gezien nonsens. Men kan uit een verzameling objecten (subjecten?) een deelverzameling selecteren door te zeggen wat de elementen van deze deelverzameling niet zijn. Men kan bijvoorbeeld een deelverzameling selecteren uit de natuurlijke getallen door te zeggen dat men alleen de getallen neemt die niet even zijn.
Maar dan moet je natuurlijk eerst een verzameling objecten hebben om van te vertrekken. Wat zijn die natuurlijke getallen? Geen reële getallen? Geen complexe getallen? Geen quaternionen? Geen tafels, stoelen en blogs?
Maar rethorisch efficiënt is het wel, dat differentiedenken, en sociologisch gezien zeer wijd verspreid. En verder wellicht een erg gemakkelijk aanknopingspunt voor allerlei (semi-)filosofische overwegingen. Men definieert zichzelf als niet-dier en wanneer men dan als een hongerige hond een pak koekjes binnen schrokt, ontdekt men het vreemde in zichzelf, etc.
"Wat is me dit nou, zo ben ik toch niet?"
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:36
Dag Dirk,
Graag ga ik in op je opmerking. Deze treft me nogal als hegeliaans (zonder je hiermee als 'hegeliaan' te wilen bestempelen, wat meestal als een scheldwoord wordt gebruikt).
Je geeft aan dat er in een analyse in termen van de monumentalisering van een verschil een gevaar schuilt. Dat gevaar betreft volgens jou het niet opheffen van een tegenstrijdigheid van zijnswijzen, met name facticiteit en transcendentie. Dit niet opheffen zou eigen zijn aan deze monumentaliserende denkwijze.
Als dit inderdaad is wat je bedoelt, dan kan ik dit alleen maar bevestigen. Het draait er immers net om dat de ophefbaarheid van beide zijnswijzen wordt onmogelijk geacht. Veeleer dan de opheffing van deze tegenstrijdigheid, wordt die tegenstrijdigheid dus eerder vastgehouden, om haar vruchtbaar te maken en te duiden als een historisch existentiële conditie. En dus niet als een fase richting opheffing van een idee en diens negatie. Hier zouden zelfs viskerianen, of all people, mijn inziens mee akkoord gaan :). Het betreft in die zin verder ook geen gevaar om zo te denken, het mikt net op een realmetafysische erkenning van socio- en psychologische fenomenen. Pour sauver les phénomènes, weet je wel :)
Tenslotte, als je je laatste 2 zinnen wat verder kan verklaren, ga ik hier ook graag verder op in.
Alvast bedankt voor je bijdrage,
MVG,
De Neo-Cynicus
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:36
Dag Aliaspg,
Graag ga ik in op je opmerkingen. Met je eerste alinea ga ik akkoord, echter wel allicht om andere redenen. De andere alinea's bewandelen verder hetzelfde pad als de andere opmerking op dit artikel (van Dirk).
In elk geval heb ik zelf ook al zitten tobben over het probleem van positieve identiteit en differentiële negatieve identificatieprocessen, maar opnieuw, allicht omwille van andere problematieken dan diegene die bij jou wat frustraties opwekken. Ik hoop hier dra nog eens een artikel aan te wijden.
Wat betreft je eerste alinea: het zogenaamde differentiedenken is ook mijn inziens inderdaad een symptoom van een pijnlijke onmacht in verband met de verantwoordelijkheid voor positieve formuleringen omtrent 'identiteiten', zoals daar zijn, vrouw-zijn, blank-zijn etc. Het is echter zeer de vraag of die onmacht te maken heeft met het niet opnemen van verantwoordelijkheid door bepaalde partijen (de zgn. differentiedenkers), dan wel te maken heeft met een soort verlammende voorzichtigheid omwille van de impact van die verantwoordelijkheid. Op jouw manier geformuleerd lijkt het immers alsof er ergens een groep van denkers bestaat die wél haar verantwoordelijkheid opneemt ('durft' op te nemen?)in strijd met die lallende en lullende differentiedenkers. Hoe het ook zij, dit is niet mijn mening.
Indien je op deze piste doorgaat, kom je immers mijn inziens terecht in de doodlopende straat van Foucault II. Zijn fout was immers om de structurele ongemakken van bv. een anonimiserend systeem van dossiernummering in de zorgsector aan te klagen (wat terecht was), maar dan zo, alsof er ergens op de planeet één of andere instantie, persoon, subjectiviteit, verantwoordelijk kon geacht worden voor die structurele humaniteitsdefecten. Terwijl de vraag natuurlijk niet is: wie is het probleem, maar vooral: wat is het probleem? In die zin vermoed ik ook dat het differentiedenken symptomatisch is voor een onmacht om verantwoordelijkheid op te nemen voor positieve formuleringen. Maar dus niet omdat er iemand daar schuldig aan is en die iemand het eigenlijk wel zou kunnen, indien ze maar juist gevormd/gemachtigd zouden zijn. Veeleer is het pijnlijke affect een gevolg van een historisch existentiële onkunde die als conditie treft. Maar daarmee is de kous niet af, nee, nu komt de aap pas uit de mouw!(dit is een vreselijke zin :)
Zodoende wordt elke poging tot positieve formulering immers meteen veroordeeld als een ontkenning van deze maatschappelijke conditie van onkunde in termen van durf. 'Durf' dan als een amelioratie van een onderscheid tussen zij en wij aan de hand van camouflageteschnieken met mogelijk andere bedoelingen dan hetgeen de differentiedenkers op het oog hebben. En hier schuilt net het probleem.
Want we hebben weldegelijk een besef van zoiets als de evidentie van positieve formuleringen en bovenal: we voelen dit aan als een tekort, dit niet te kunnen. Waarom is het niet mogelijk om de maatschappij makkelijk op te delen in blanken, zwarten, mannen, vrouwen, etc. aan de hand van well formed formulas die eens en voor altijd definitief vastleggen wat deze concepten betekenen. Waarom, en hier kom ik aan de volgende alineas, waarom kunnen we van blank, vrouw, zwart, Europeaan, geen 'termen' maken, waarom o waarom blijven ze onderhevig aan de differentierende betekenissamenhang van de taal, terwijl ze zo belangrijk zijn in onze wetteksten, rechtsregels en politieke correctheid, waarom kortom blijven het maar 'woorden', die telkens afhankelijk van de context van andere betekenaars en taalgebruikers zin krijgen?
Er bestaan mijn inziens vruchtbare analyses voor de premissen van deze vraagstelling, waar ik hier niet op inga, men weze verweze naar info over Foucault III op dit blog en elders.
Ik ga verder in op je volgende alineas: over je logische kwalificatie van het differentiedenken als nonsens. Hier valt natuurlijk veel over te zeggen. Je maakt hier immers op een eigen manier mijn inziens dezelfde denkfout als onze collega hierboven.
Eerst en vooral: het differentiedenken is gestoeld op een bepaalde taaltheorie én op maatschappelijke fenomenen zoals die zich in historische existenties voordoen. Beroep doen op zoiets abstract als verzamelingenleer is hierbij nogal onnuttig.
Een lukraak voorbeeld: the Black Power Movement (ik kom net terug van Reggae Geel :) wil omwille van hun menselijkheid (wij zijn allen mensen) erkend worden in hun verschil (wij zijn negers en wij zijn daar trots op, op onze eigen andersheid). Het gaat hier om een maatschappelijk fenomeen (en zo zijn er heel wat) waarin men zich beroept op de moderne gedachte van de universele rechten van de mens én tegelijkertijd wil men zich onderscheiden binnen die algemene menselijkheid als een soort binnen de menselijke soort.
Het probleem hierbij, is niet, zoals vele anderen - en ik vermoed jij ook - wel zo interpreteert, dat men op zoek is naar een idealistische fundamentele ontologie van zoiets als gelijkenis en verschil (in hegeliaanse opheffingslogica: Dirk :) of in wiskundige deelverzamelingen van even en oneven). Het gaat er om dat onze hedendaagse juridische systemen (wetteksten, procedures, rechtsregels, de hele mikmak) niet om kunnen gaan met het beroep doen op de gelijkenis tussen mensen (menselijke soort) én op het verschil tussen mensen (zwart/blank) onderling omwille van die gelijkenis (mensenrechten). Een maatschappelijke onkunde. Dát is waar het om draait. (En niet om platvloerse populistische perceptie-experimentjes zoals je amusant, maar verkeerdelijk omschreef). Het differentiedenken is ten opzichte van déze problematiek een nuttig instrument, naast vele andere.
Eén van de dingen die deze denkwijze - net als Luhmann overigens - bv. blootlegt is de wijze waarop elk niveau waartoe men tegenstrijdigheden opheft een tijdelijke camouflage is van een 'nieuwe' tegenstrijdigheid. Opheffing van tegenstrijdigheden is maw radicaal getemporaliseerde camouflage van tegenstrijdigheden: zij het op hegeliaanse niveaus, zij het op getallenniveaus, beiden zijn tijdelijk en steeds toch nog plaats van tegenstrijdigheden.
Wat betreft het vb.: onze juridische systemen zijn doordrenkt met menselijkheid als hoogste opheffing van alle verschillen in de hoogste gelijkenis, wat zich juridisch toont in de mensenrechten. Dankzij het differentiedenken werd echter duidelijk dat het eerder om een historische constructie zou gaan, dwz om 'westerse mensenrechten', ipv om het christelijke middeleeuwse ideaal van universele schepselen Gods die door de modernen seculier werden geinstitutionaliseerd tijdens de nationalistische revoluties en de na-oorlogse constructies zoals bv. de Volkerenbond. Vandaar dat Foucault ook zo geïnteresseerd is in Kant.
Maar goed, ik vermoed toch dat je al lang hebt afgehaakt, samen met alle andere welwillende maar luie lezers, dus in elk geval:
Bedankt voor je bijdrage,
MVG,
De Neo-Cynicus
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:36
Bedankt voor de reactie - waar ik het overigens in grote lijnen eens ben. Maar ik heb, in tegenstelling tot wat je lijkt te denken, het woord "durf" niet gebruikt.
Een opmerking toch. Je schrijft "Waarom is het niet mogelijk om de maatschappij makkelijk op te delen in blanken, zwarten, mannen, vrouwen, etc. aan de hand van well formed formulas die eens en voor altijd definitief vastleggen wat deze concepten betekenen?"
Tenzij ik je fout begrijp, lijkt je ervan uit te gaan dat een niet-differentiële identificatie de termen zwart/blank, man/vrouw, etc. zou gebruiken. Maar die categorieën lijken in de praktijk vooral bruikbaar te zijn in het differentiedenken.
Ik ben overigens niet op zoek naar een idealistisch fundamentele ontologie van gelijkenis en verschil. Je hebt het over "well formed formulas". Die bestaan niet in dit geval. Of toch niet in een betekenis die overeenkomt met de betekenis van blank/zwart etc. in het 'normale' taalgebruik. Met dat stukje wiskunde wilde ik enkel met groot misbaar een open deur intrappen, en aangeven dat differentiedenken geen (logisch vruchtbare) manier is om het gebrek aan well formed formules te omzeilen.
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:36
Ik ben een leek maar zeer geinteresseerd in het stukje over gadamer en zijn ideeen over mens en spel. Wie kan mij vertellen wat de originele brontekst is?
Bij voorbaat dank!
---
Bewerkt door None op Jan 08 12 1:39